De Spagaat van een Octopus
Anja Burger-Kock en Inger de Wit *)
Wie herkent dit niet? De feedback die bijna elke daltonschool krijgt tijdens de visitatie over invulling en/of effectiviteit van de daltonuren. Als wij terugkijken naar eerdere visitaties bij ons op Wolfert Dalton is er altijd wel iets wat anders kan. Het zal bij jullie vast niet heel anders zijn… en dat is ook helemaal niet erg, want op die manier blijven we als daltonschool in beweging, toch? Soms voelt het echter wel een beetje als dweilen met de kraan open, want als je het ene doet, dan verzandt het andere weer. Het probleem waar wij, en veel andere daltonscholen, tegenaan lopen is heel breed en veelzijdig. Je hebt je feedback uit de daltonvisitatie, de schoolinspectie, je hebt de wensen van je school en de uiteindelijke uitvoering van je docenten (hoe goed de bedoelingen op papier ook zijn vormgegeven). Het is een actielijst die je continu kan blijven aanvullen. Vervolgens moet je hier als een octopus in een spagaat doorheen proberen te zwemmen, zonder ook maar één balletje uit een tentakel te laten vallen.
Taal en lokaal
Als je onze meest recente feedback op de daltonuren samenvat, gaat het eigenlijk best goed. De structuur van onze daltonuren is een stuk duidelijker dan tijdens de vorige visitatie, net zoals de rol van de docent, maar er zijn nog wel vragen over de effectiviteit. Veel leerlingen werken aan een ander vak dan dat waar ze zich voor ingepland hebben, en gebruiken het als huiswerkuren. Over vijf jaar (inmiddels drie) moeten we zorgen dat de daltonuren effectiever worden ingezet en dat er duidelijkheid is tussen ‘huiswerkuren’ en uren voor ondersteuning.
We durven te wedden dat wanneer je zelf net een visitatie achter de rug hebt, je zomaar kunt denken: Sorry, maar dit gaat over mijn school… niet over de jouwe! Want laten we eerlijk zijn, bij veel scholen gaan de daltonuren toch vaak nog over lekker een uur (of meerdere) huiswerk knallen in plaats van gericht aan de slag gaan en hulp te vragen. Eerlijk: de gemiddelde puber bij ons gaat pas echt vragen stellen aan docenten als er een toets of toetsweek aan komt. Bij jullie is dat toch niet anders?
Het zijn meestal docenten die de daltonuren draaien, tenminste bij ons. Je verwacht dat deze docenten allemaal dezelfde taal spreken als het gaat om wat je doet in de daltonuren, omdat dit schoolbreed is afgesproken. Maar ook hier gaat het misschien niet altijd zoals verwacht. Die taal die we als ervaren docenten allemaal zouden moeten kunnen spreken – laten we dat hier de ‘daltontaal’ noemen – blijkt een samenraapsel te zijn van verschillende dialecten waardoor de uiteindelijke boodschap vaak weer verwatert. Dat de schoolopleiders de startende docenten met een ander dialect aanspreken, zorgt ook voor verwarring en – om het nog een stuk lastiger te maken – hebben we binnen de school (jullie toch ook?) ook een groep mensen die de daltontaal (en dus de verschillende dialecten) helemaal niet machtig zijn. Denk hier aan OOP’ers, die naast alle andere taken ook op daltonuren worden ingezet. Deze groep collega’s, die de daltontaal niet perse machtig zijn, zullen sommigen van jullie herkennen. Mensen willen wel, dat is het niet. Maar als je een ander type werk hebt binnen school, spreek je bijna automatisch ook een andere taal. Lastig om dan een knop om te zetten voor één of twee lesuurtjes per week! Alsof de taart dan nog niet gelaagd genoeg is, hebben we als kersen op de slagroom ook nog ingehuurde studenten die één of meerdere daltonuren komen draaien. Bij hen is het vooral toezicht houden op leerlingen, want de daltontaal en alles wat daarbij hoort, is voor hen al helemaal een ver-van-je-bed-show.
De gemiddelde daltondocent werkt met een vertaalmachine. Denk hierbij een beetje aan de Enigma-machine uit de Tweede Wereldoorlog die gecodeerde berichten van de vijand vertaalde. Het probleem hier is dat deze vertaalmachines allemaal helemaal uniek zijn met een eigen set instellingen. Door de schoolleiding, daltonopleider en daltoncoördinator worden allemaal berichten ‘verzonden’ over dalton, maar het probleem is dat de vakdocent deze met een eigen ‘sleutel’ vertaalt. In het vaklokaal en tijdens de daltonuren heeft de docent autonomie en is er voor hem of haar geen ruis op de vertaalmachine. In jouw lokaal geldt jouw vertaling, nietwaar?
Als we de complexe wereld willen begrijpen van taal, dialecten en vertaalmachines is er waarschijnlijk maar een oplossing. We moeten minder gaan praten over dalton, maar het gewoon doen. Het liefste wel met hetzelfde woordenboek, zodat iedereen (en vooral de leerlingen zelf) de vertaling begrijpt. Dit begint natuurlijk bij de daltonopleidingen, maar een mogelijk andere oplossing is een groep docenten als daltonexperts de lokalen insturen. Deze experts kunnen checken wat de instellingen zijn van de vertaalmachine, welk woordenboek gebruikt wordt en welke reddingsboei nodig is om iedereen te helpen hetzelfde dalton te doen in de les. Feitelijk betekent dit dat ervaren daltoncollega’s tijdens lesbezoeken feedback en hulp bieden aan docenten waar de vertalingen van wat we willen naar wat we doen elkaar nog te veel tegenspreken. En laat dat nou net zijn wat we aan het opzetten zijn!
Aanbod en eigenaarschap
Leuk idee, die daltonexperts in de les, maar een deel van de spagaat over de daltonuren is natuurlijk ook simpelweg het aanbod. En dan bedoelen we niet alleen maar dat je bij Frans aan Frans gaat werken, maar je simpelweg uren creëert, waar leerlingen doelgericht iets gaan doen. En wat is er dan nodig om leerlingen in actie te krijgen? Juist, er moet wat ‘lekkers’ te halen zijn. Voilà, knoop in de tentakel!
Als school hebben wij naast daltonuren ook masterclasses. Het idee hiervan is dat docenten een periode (of langer) tijdens de daltonuren iets aanbieden waar hun daltonhartjes harder van gaan kloppen. We hebben hier een aantal mooie voorbeelden van waar docenten geweldige dingen doen. Denk aan de masterclass drama, yoga, of een masterclass Koreaans waarbij zowel de docent als leerlingen samen de beginselen van de taal en cultuur leren. Een heel mooi idee, want dan kunnen leerlingen heel doelgericht kiezen zich te verbreden of te verdiepen in iets. De praktijk is echter minder rooskleurig.
Bij onze daltonuren is al jaren geleden de opslagfactor verlaagd naar 1.1. Dit betekent dat als je daadwerkelijk een uur wilt voorbereiden met inhoud (denk aan een ondersteuningsuur voor bijles) je hier nauwelijks ‘tijd’ voor krijgt om hier echt de diepgang in te gaan. Het motiveert veel collega’s daarom niet direct om in de daltonuren meer energie te steken. Want, zo redeneren meerdere collega’s, voor die opslagfactor ben je feitelijk een oppasser geworden. Dus waarom zou ik harder gaan lopen? Ditzelfde probleem hebben we ook bij de masterclasses. Waar de daltonuren nog bij de lesuren staan (dus in je normjaartaak) is een masterclass iets wat je extra gaat doen. Dus een extra daltonuur draaien, met extra voorbereiding, bovenop de reguliere lessen en daltonuren die je al hebt. Dit vinden veel collega’s niet direct aantrekkelijk, zeker als je bovenop dat extra uur erg weinig taakuren (naderhand toegewezen) krijgt. Is het iemands schuld dat het zo is? Nee, zeker niet. Het is een resultaat van een periode van bezuiniging in het verleden, en ons huidige MT voelt zich ongetwijfeld ook bij het taakbeleid een octopus. Op hun eigen manier in een spagaat om iedereen tevreden te houden en de juiste keuzes te maken, zonder in de knoop te raken of onderweg tentakels te verliezen.
Is dit probleem op te lossen? Misschien niet op de korte termijn, want het liefste gooi je de opslagfactor weer omhoog en komen er meer taakuren beschikbaar. Niet echt een praktisch haalbaar iets, omdat je er als docent weinig tot geen invloed op hebt. Voor nu is het dus belangrijk om te kijken waar je wel winst kan halen. Hoe zorg je dat je leerlingen wel bewuster gaan plannen? Hoe zorg je dat ze wel met een duidelijke leervraag of doel komen? Misschien simpelweg zeggen dat je bij Frans aan Frans werkt, en toch weer dat lekkere hapje serveren waardoor leerlingen wel ergens voor gaan kiezen. Misschien kunnen wij daarmee helpen. Denk weer aan die ondersteuningsuren, als duidelijk is wat de leerlingen kunnen halen (en krijgen) en wij dit allemaal weer consequent doen, zal hopelijk een deel van onze leerlingen bewuster naar bepaalde uren gaan.
Daarnaast is er ook wel ‘laaghangend fruit’ dat we kunnen inzetten in deze spagaat. Secties die meer eigenaarschap (en ruimte) krijgen om onderwijs te ontwikkelen kan hierbij helpen. Denk aan (vakoverstijgende) projecten waarbij leerlingen groepstaken uitvoeren tijdens daltonuren, of misschien de oude vertrouwde daltontaak weer afstoffen. Als andere scholen die kunnen gebruiken naast regulier werk, kunnen wij dat toch ook?
Plangedrag en handhaving
Een andere hoek van de spagaat voor onze octopus gaat over plangedrag en handhaving. Niet de meest prettige onderwerpen, maar wel hard nodig als we willen dat de vrijheid die we bieden niet ontaardt in vrijblijvendheid. Want op veel scholen gaat dit vaak nog mis, en wij zijn daar niet de enige in.
Het is een utopia, maar uiteraard wil elke daltonschool dat leerlingen uit zichzelf inplannen en verstandige keuzes maken. De praktijk is echter anders; een puberbrein is nu eenmaal geprogrammeerd voor gezelligheid en de weg van de minste weerstand. Dit betekent vaak dat leerlingen vergeten te plannen, en als ze er wel tijdig aan denken, kiezen ze vaak voor daltonuren waar hun vrienden ook zitten. Of een leerling verstandig plant, valt of staat uiteindelijk bij de begeleiding van de vakdocenten, mentoren en coaches. Die moeten de leerlingen helpen bijtijds en verstandig te plannen. De realiteit is dat het er vaak bij inschiet en leerlingen in een sociaal daltonuur zitten (bij die vriend of vriendin, of die collega die iets minder op de regeltjes let) of helemaal niet ingepland zijn.
Er zijn leerlingen, zeker bij ons op school, die consequent ‘vergeten’ te plannen. Met consequent bedoelen we dus elke week opnieuw niet inplannen. We horen je nu denken: Daar heb je toch een oplossing voor? Ja zeker, onze teamassistenten plannen circa 150 leerlingen elke week weer in. Zij worden als opvulling in daltonuren geplaatst, en komen dus uiteindelijk terecht in uren waar zij niets te zoeken hebben. Makkelijk, maar voor de teamassistent is het een halve dagtaak extra en collega’s hebben last van het gedrag van deze leerlingen in de daltonuren zelf. Deze leerlingen vinden het zelf prima, lekker achterover zitten, iemand anders wekelijks laten plannen, zelf hoef je niets te doen. Helen Parkhurst zou hier kriebels van krijgen, want dit is geen verantwoordelijk en zelfstandig gedrag.
Er is nog een punt waar dit wringt: we hebben ondersteuningsuren waar leerlingen gericht kunnen komen voor hulp, waar je als docent wat hebt voorbereid. Door deze uren ook helemaal op te vullen met leerlingen die daar feitelijk niets te zoeken hebben, ondermijn je de structuur en het doel van het uur. En, zoals een collega van ons heel duidelijk aangaf, heb je dan geen echt daltonuur meer maar gewoon een veredeld opvanguur. Want moet je de tien leerlingen helpen die met een echte hulpvraag komen, of moet je de twintig 'opvullers' aan het werk houden?
Even terug naar die kernwaarden. Zoals we al zeiden zou Helen Parkhurst tranen met tuiten huilen. Want leerlingen leren niet meer omgaan met vrijheid, ze nemen (en leren) geen verantwoordelijkheid als ze steeds maar ingepland worden door een ander, en zelfstandig worden ze er ook niet van. Wat we natuurlijk willen is dat we zelfstandige, verantwoordelijke wereldburgers creëren. Dus de mensen zonder vrees waar Helen Parkhurst het over had. En dat werkt natuurlijk niet als wij geneigd zijn (na de corona periode al helemaal) om onze leerlingen als vogeltjes te behandelen. Snaveltjes open, hapje erin. Leerlingen worden zo afhankelijk in plaats van onafhankelijk.
Conclusie
De uitweg uit deze complexe spagaat is duidelijk. Het gaat niet om meer over dalton praten, maar om op z’n Rotterdams te zeggen ‘niet lullen maar poetsen’. Dalton is doen! Dat is de enige manier om de kernwaarden weer écht te laten landen.
Maar dit kan natuurlijk geen soloproject zijn van één coördinator of een paar daltonexperts. Als we die octopus uit de spagaat willen krijgen, moet iedereen het doen. En dat is misschien wel de moeilijkste spagaat: het kost gigantisch veel energie om de hele school mee te krijgen. Je kunt niet verwachten dat de wil tot verandering zomaar vanzelf weer aangroeit; als je een tentakel van de octopus afhakt, groeit hij niet zomaar weer aan. Het vereist collectief eigenaarschap en dezelfde vertaalsleutel voor de hele school.
En dan, als we dit collectief hebben weten te fixen? Dan komt er gegarandeerd weer een nieuwe uitdaging. Natúúrlijk komt er altijd weer een nieuwe visitatie. Natúúrlijk denk je dan, na een aantal jaar keihard ontwikkelen, experimenteren en uitvoeren dat je je zaken op orde hebt. Maar net zo natuurlijk… krijg je na de volgende visitatie gewóón weer nieuwe feedback! Dat is prima, daar kan elke dalton-professional mee omgaan - het is alleen hopen dat de octopus bij de nieuwe ronde een tas krijgt om alle ballen in te stoppen… zodat er niet meer in spagaat gebalanceerd hoeft te worden zonder balverlies!
*) Inger en Anja zijn docenten op Wolfert Dalton Rotterdam. Ze zijn als daltonspecialisten nauw betrokken bij de daltonontwikkeling op school.
De Wit, I., Burger-Kock, A. (2026). De Spagaat van een Octopus. DaltonVisie14(15).
Deze berichten in je inbox ontvangen?
Meld je aan voor de e-mailnieuwsbrief en ontvang elke maand een update.
Aanmelden e-mailnieuwsbrief