Uit studies naar de Marshmallows test kan een duidelijke conclusie worden getrokken, namelijk dat kinderen marshmallows (over het algemeen) lekker vinden. Dat blijkt helaas ook de enige betrouwbare conclusie te zijn. Lange tijd leek het erop dat de marshmallow test voor tal van zaken een goede voorspeller is. Zaken als welbevinden, academische prestaties en sociale vaardigheden. Uit de meest recente follow-up studie blijkt echter dat dit niet het geval is: “The amount of time the child waited to eat the treat failed to forecast roughly a dozen adult outcomes the researchers tested….” Of een kind de marshmallow nu meteen opeet of een dag wacht, zegt dus helemaal niks.

Ondanks dat al langere tijd kanttekeningen bij de marshmallow test worden geplaatst, worden de leuke filmpjes ervan nog volop in colleges en lezingen gebruikt. Helaas niet altijd met de kanttekeningen erbij. En soms worden de kanttekeningen er wel bij geplaatst, maar worden daar dan weer de verkeerde conclusies aan verbonden. Zo hoorde ik laatst iemand concluderen dat zelfregulatie er dus eigenlijk niet zo toedoet. Dat is niet het geval. Want wat wel een voorspeller bleek voor veel ‘adult outcomes’, is de score op een zelfregulatie vragenlijst die de ouders hadden ingevuld over hun kind in diens 17de, 27ste en 37ste levensjaar. Zelfregulatie doet er enorm toe, maar de uitkomst van de marshmallow test voegt daar qua voorspellende waarde niks aan toe.

Bemoedigend nieuws is dat zelfregulatie (tot op zekere hoogte) ontwikkelbaar, plooibaar is en onderwijs daaraan kan bijdragen. Onderwijs kan bijdragen door kinderen de ruimte en mogelijkheden te geven om zelfsturing te oefenen en tegelijkertijd deze oefening doelbewust te begeleiden en te voorzien van expliciete, directe instructie. Deze instructie dient plaats te vinden op zelfregulatiestrategieën die leerlingen kunnen inzetten tijdens het leren, zoals plannen, doelen stellen, monitoren en evalueren, jezelf motiveren, gebruik maken van feedback, samenwerken, enzovoorts. Voor het aanleren hiervan leg je de strategie uit, doe je deze voor, begeleid je bij het inoefenen ervan en geef je tenslotte regelmatig feedback op de zelfstandige uitoefening ervan.

Naarmate de kinderen vaardiger worden in zelfsturing en zelfregulatie, kun je als leerkracht de ondersteuning en begeleiding afbouwen. Dit betekent echter niet dat er sprake zal zijn van een lineaire groei van het vermogen tot zelfsturing. Anders gezegd: kinderen zullen niet almaar beter worden in zelfregulatie. De mate waarin een leerling zichzelf kan sturen en reguleren is namelijk ook afhankelijk van de taak. Als een leerling al bekend is met het type taak en ook veel kennis erover heeft, kan deze zichzelf veel beter sturen en reguleren dan wanneer een taak voor het eerst wordt uitgevoerd en de inhoud ervan nieuw is. En als de taak relatief eenvoudig is, is zelfsturing en regulatie beter mogelijk, dan wanneer een taak zeer complex is.

Dat er geen sprake is van een lineaire groei van het zelfregulerend vermogen, heeft consequenties voor het daltononderwijs. Met name voor wat we van leerlingen kunnen en mogen verwachten en hoe we ze het beste kunnen ondersteunen. Het vraagt dat we steeds goed kijken naar de taak en de leerlingen en op basis van een gewogen oordeel bepalen welke (mate van) begeleiding nodig zal zijn in het leerproces. Dit vereist kennis van vakinhouden en taken daarbinnen, kennis van de kinderen in je klas en kennis van het stimuleren van zelfregulerend leren. Dat is zeker geen sinecure en zal dus ook niet altijd optimaal verlopen. Daarvan kan echter geleerd worden. En om jezelf te blijven stimuleren om op dit terrein te blijven leren, is een beloning op zijn tijd wel gepast. Bijvoorbeeld door jezelf en je leerlingen één, twee of een hele zak marshmallows te gunnen.

Symen van der Zee, lector Vernieuwend Onderwijs, Saxion Hogescholen