Patrick Sins is lector Vernieuwingsonderwijs Saxion en Thomas More hogeschool

De koek is op. Samen met je partner heb je besloten te gaan scheiden. Trouwen kan je zo doen. Om te mogen scheiden heb je de toestemming van een rechter nodig. Zo werkt dat. Om een wijs besluit te kunnen maken vraagt de rechter om een convenant. En als je samen kinderen hebt moet je gelijk ook een ouderschapsplan opleveren. Hierin omschrijf je hoe je ex-partner en jij straks de zorg voor jullie kinderen organiseren. De wet schrijft voor dat het kind hierin is gehoord. Dat moet je expliciet opnemen in het ouderschapsplan. Kinderen mogen ook hun zegje doen over besluiten die hen aangaan. Goed geregeld en zo hoort het. Waarom gaat deze vlieger dan niet op als het gaat om onderwijsbeleid of -advies? De stem van degenen om wie het hele onderwijs draait – de leraar dus – wordt daarin namelijk stelselmatig niet meegenomen.

Van, voor en door de leraar 

Een tijd geleden deed ik onderzoek naar collegiale visitatie bij leraren. Ik onderzocht hoe leraren leren door elkaar tijdens de les te observeren en daar feedback op te geven en te ontvangen. Voor deze studie konden leraren gebruik maken van kijkwijzers, werden ze getraind in het geven van feedback en bezochten ze lessen van hun collega’s. Dit mooi initiatief kwam uit de koker van de Onderwijscoöperatie. De Onderwijscoöperatie was in 2011 opgericht door vakbonden in het onderwijs en presenteerde zichzelf als de beroepsvereniging van, voor en door de leraar. Deze organisatie zette zich via een aantal projecten in om leraren te ondersteunen in hun beroepsontwikkeling. Een van die projecten was collegiale visitatie. Een ander project was het lerarenregister. Daar zo meteen meer over.

Toen ik in 2012 het kantoor van de Onderwijscoöperatie bezocht vroeg ik een van de medewerkers tussen neus en lippen door wie van zijn collega’s in het onderwijs werkte. “Er werken hier geen leraren, alleen beleidsmedewerkers” werd mij verteld. Oeps, linke soep dacht ik. En niet geheel onterecht bleek later. Begin 2019 ging de Onderwijscoöperatie namelijk ter ziele. Wat bleek? Een gebrek aan draagvlak onder de beroepsgroep zelf. Dit kwam onder andere doordat onderwijsgevenden behoorlijk wat kritiek hadden op een ander initiatief waar de Onderwijscoöperatie een centrale rol in speelde. En jawel daar is ie – het lerarenregister. Dit is soort portfolio waarin leraren kunnen aantonen dat ze bevoegd en bekwaam zijn en hun professionele ontwikkeling op peil houden. Het plan leidde tot protest onder leraren, vooral omdat het teveel ‘van bovenaf’ werd opgelegd. Dat is opmerkelijk omdat de Onderwijscoöperatie door de politiek steevast werd gepresenteerd als een bottom-up initiatief – vanuit leraren gedacht. Niet dus. De Onderwijscoöperatie was juist door de regering zelf ingesteld. Top-down dus. En zie hier een concreet voorbeeld van een gapende kloof tussen onderwijsbeleid en -uitvoering.

Drie voorbeelden…

Leraren, je kan het ze gewoon vragen. Maar dat gebeurt nauwelijks. Ik kan genoeg voorbeelden geven van initiatieven waarin dat het geval is geweest. Maar voor de vuist weg geef ik er nu drie. Ik begin in de Verenigde Staten. Zo’n tien jaar geleden sloten een aantal schoolbesturen daar de handen ineen om de leerprestaties van leerlingen te bevorderen <link naar https://didactiefonline.nl/blog/blonz/vergeet-de-leraar-niet>. Dat wilden ze doen door de effectiviteit van leraren te vergroten. Hoe? Door leraren op een andere manier te evalueren. Met behulp van een gigantische impuls van meer dan een half miljard dollar gingen de ‘Intensive Partnerships for Effective Teaching’ van 2009 tot en met 2016 aan de slag om beoordelingsinstrumenten te ontwikkelen en uit te voeren. De besturen wilden hiermee nagaan hoe leraren ‘on the job’ presteren. Het idee was dat hierdoor de prestaties van leerlingen omhoog zouden gaan. Niet dus. In 2018 verscheen een rapport van de RAND (Research ANd Development) corporation en de conclusies waren niet mals. Het project had niet alleen gefaald, ook was er nogal wat weerstand onder leraren over het gebruik van de beoordelingen en de mogelijke gevolgen daarvan. Het leidde zelfs tot moedeloosheid bij leraren. Ze hadden het hen op voorhand tenminste ook even kunnen vragen.

Voorbeeld twee gaat over die kekke 21st century skills. Volgens diverse rapporten gaat het hier om generieke vaardigheden waarvan wordt verwacht dat leerlingen ze in de toekomst nodig zullen hebben. Denk aan vaardigheden als samenwerking, communicatie, digitale geletterdheid, sociale en/of culturele vaardigheden en burgerschapsvorming. Een hele mond vol. En omdat we leerlingen willen voorbereiden op een onzekere toekomst is het van cruciaal belang dat we in het onderwijs aandacht besteden aan het aanleren van deze vaardigheden. Althans dat geven beleidsmakers aan. De 21st century skills lees je dan ook vaak terug in een schoolplan. Maar als je in de klas gaat kijken dan lijkt er iets anders aan de hand. Zo krijgen ze tijdens de les betrekkelijk weinig aandacht. Een reden die het SLO hiervoor noemt is dat de meerderheid van de Nederlandse leraren zich onvoldoende toegerust voelt om concreet handen en voeten te geven aan deze vaardigheden. Nog opmerkelijker is de conclusie die Joke Voogt en Natalie Pareja Roblin trekken in hun review. Zo blijken leraren niet betrokken te zijn geweest in de discussie over 21st century skills: “is it worrying that the education sector, let alone schools and teachers, do not seem to be actively involved in the 21st century initiatives and in the overall debate about these competences”.

Het laatste voorbeeld is vrij recent. Het gaat om het advies ‘Later selecteren, beter differentiëren’ van de Onderwijsraad. Een lijvig rapport met mooi opgezette argumentaties en ambitieuze plannen om iets te doen aan de ongelijke onderwijskansen in ons land. De titel van het advies dekt de lading goed als het gaat om de aanbevelingen die worden gedaan: later selecteren door het instellen van een driejarige brugperiode en beter differentiëren door het bieden van flexibel onderwijs op maat. Om dit voor elkaar te krijgen stelt de Onderwijsraad voor dat er aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Zo wordt geadviseerd om scholen toe te rusten als het gaat om “menskracht, financiële middelen, tijd, kennis en vaardigheden”. Maar wacht eens even. Er is toch sprake van een toenemend tekort aan leraren? In het hele advies wordt hier geen woord over gerept. Alsof het lerarentekort er gewoon niet is. Beter nog. Leraren moeten zelfs aan de bak. Om goed te kunnen differentiëren moeten leraren kennis en vaardigheden, moeten ze experts zijn op hun vakgebied en moeten vakinhoudelijke kennis op een goede manier overdragen aan hun leerlingen. Je zou er moe van worden.

Leraren als eigenaars van onderwijsbeleid

 Twee maanden geleden verscheen een artikel van Edith Hooge cum suis in het blad Public Management Review. Hooge is hoogleraar onderwijsbestuur bij de Universiteit van Tilburg én voorzitter van de Onderwijsraad. In het stuk geven de auteurs aan de hand van twee casussen een diepgaand inzicht in hoe onze overheid onderwijspolitiek bedrijft. Wat blijkt? Leraren worden niet betrokken. Erger nog, ze worden gezien als degenen die ervoor moeten zorgen dat het onderwijsbeleid wordt gerealiseerd: “they are primarily treated as policy objects that need to be informed, equipped, enticed and directed in order to achieve the policy objectives”.

En hoe jammer is het dat de Onderwijsraad bij het opstellen van haar advies nauwelijks rekening lijkt te hebben gehouden met wat leraren zelf vinden. Als ik bijvoorbeeld scroll naar de lijst met geraadpleegde deskundigen en gevoerde panelgesprekken – ergens achteraan in het rapport – staan daar nauwelijks leraren. Het zijn vooral onderzoekers en bestuurders. Die kunnen natuurlijk praten als brugman. Maar dagelijks voor de klas staan met 20 tot 30 koters geeft een heel andere, of beter nog, meer realistische kijk op de ingebrachte aanbevelingen. En het Lerarencollectief dan? Dé werkelijke beroepsvereniging van leraren. Of de Beroepsvereniging Academic Basisonderwijs? Die hadden vast een ijzersterke duit in het zakje kunnen doen. Ik heb ze gemaild en helaas – de Onderwijsraad heeft geen gebruik gemaakt van de kennis en kunde van deze leraren. Als ik advies zou mogen geven aan de onderwijspolitiek: betrek leraren niet alleen bij onderwijsbeleid maar maak ze er ook eigenaar van. Dan kan er ook echt wat gebeuren.

Geraadpleegde literatuur

Hooge, E.H., Waslander, S., & Theisens, H.C. (2021). The many shapes and sizes of meta-governance. An empirical study of strategies applied by a well-advanced meta-governor: the case of Dutch central government in education. Public Management Review.

Kane, T. J., Rockoff, J. E., & Staiger, D. O. (2006). What does certification tell us about teacher effectiveness? Evidence from New York City. (NBER Working Paper 12155). Cambridge, MA: National Bureau of Economic Research. Geraadpleegd op 24 februari 2020 van https://www.nber.org/papers/w12155

Onderwijsraad (2021). Later selecteren, beter differentiëren. Onderwijsraad.

Stecher, B. et al. (2018). Improving Teaching Effectiveness: Final Report. Santa Monica, CA: RAND Corporation.

Voogt, J., & Pareja Roblin, N. (2012). Teaching and learning in the 21st century. A comparative analysis of international frameworks. Journal of Curriculum Studies, 44(3), 299-321.