Door René Berends, onderzoeker van het lectoraat Vernieuwingsonderwijs

Het zijn misschien wel mijn vroegste herinneringen. Elke vrijdag ging mijn moeder, samen met haar vriendin – die ik ‘tante Ko’ moest noemen – naar de markt. En ik ging mee. Eerst in de kinderwagen, daarna in de wandelwagen en tot slot drentelde ik aan de hand van mijn moeder mee. Zo verkende ik de Brink met zijn markt en de winkels in de binnenstad.

Je zult begrijpen dat de vrouwen veel belangstelling hadden voor de nieuwste mode, die ze in de kledingzaken zagen. En zo kon het gebeuren, dat mijn moeder me niet meer bij de hand had en ik mijn eigen interesses ging volgen en mijn eigen wegen insloeg. Op een dag stond mijn moeder dan ook nog bij Vroom & Dreesmann, terwijl ik al twee straten verder voor de etalage van de speelgoedzaak van Schoppert stond. Nee, natuurlijk moest ik bij mama blijven en mocht ik niet weglopen… Maar nu ik eenmaal de weg naar de speelgoedwinkel had ontdekt, was mijn moeder me de week daarna toch weer kwijt.

Mijn moeder was een vrouw die kon doorpakken. Dus werd er een tuigje gekocht. In het vervolg ging René mee naar de stad in een tuigje, als een jonge hond aan een riem belemmerd in zijn exploratiedrang.

Gelukkig heeft het fysieke tuigje me in mijn verdere ontwikkeling niet al te zeer belemmerd. Al besef ik nu dat een jonge olifant wordt getemd door hem met zijn poot aan een ketting vast te zetten aan een boom. Hoe hij ook probeert, hij zal niet loskomen, totdat uiteindelijk de wil van zo’n wild dier getemd is, de wil om in vrijheid je eigen weg te gaan. 

Het beeld van een kind in een tuigje vind ik intrigerend. Er zijn namelijk kinderen die psychisch in een tuigje lopen. Die hebben ouders die in alles gevaar zien, die in alles de exploratiedrang van kinderen temperen, hun kinderen kort houden, zodat de natuurlijke drang om te proberen en te experimenteren uitdooft.

Soms doen leraren daar flink aan mee en hebben we op onze scholen in de bovenbouwen weer cursussen activerende didactiek nodig om de kinderen weer ‘aan de praat’ te krijgen. Laten we daarom professor Dijkgraaf in gedachten houden, die ooit zei: “We hoeven bij kinderen niet op de ‘aan-knop’ te drukken, als we met onze vingers maar van de ‘uit-knop’ afblijven.”

Onlangs las ik een artikel over dit thema. In Engelstalige literatuur wordt er wel over ‘helicopter parents’ gesproken. Helikopterouders zijn ouders die voortdurend ‘boven de hoofden van hun kinderen hangen’, constant toezicht houden op elk aspect van hun leven. Het zijn ouders met een extreme opvoedingsstijl, waarbij ze hun kinderen op weg naar succes denken te helpen door ‘alles voor hen te doen’. Vaak zijn ouders overbezorgd, alles beheersend. Ze zijn geobsedeerd door falen en willen dat ten koste van alles voorkomen. Het is een vorm van grootbrengen door klein te houden. Helikopterouders kunnen door de psychologische controle die ze uitoefenen de onafhankelijkheid van een kind beperken. Er ontstaat dan een vorm van aangeleerde afhankelijkheid, waardoor kinderen niet leren om hun eigen gedrag te reguleren.

Deel deze pagina

Uitgelicht