Patrick Sins, lector Vernieuwingsonderwijs Thomas More hogeschool en lector Leren Hogeschool Rotterdam

Daltononderwijs is booming. Met bijna 400 scholen is daltononderwijs veruit de grootste vorm van vernieuwingsonderwijs in ons land. Daltononderwijs staat voor een andere organisatie van het onderwijs waarbij leerlingen meer verantwoordelijkheid krijgen voor het verwerken van de leerinhoud. Gezien de omvang en populariteit van daltononderwijs is het opmerkelijk dat er nauwelijks onderzoek naar de effectiviteit van dit type onderwijs is gedaan. Om die reden hebben we afgelopen jaren onderzocht of leerlingen op daltonscholen anders presteren dan leerlingen op reguliere scholen. In deze bijdrage neem ik jullie mee in ons onderzoek. Onze conclusie? “Geen voordeel, maar ook geen nadeel voor dalton”.

Daltononderwijs bestaat al meer dan honderd jaar en ongeveer de helft van de vernieuwingsscholen in ons land is een erkende daltonschool. Je kan er dus niet omheen. Daltonscholen een rol van betekenis in het Nederlandse onderwijsbestel. Maar hoe doen ze het eigenlijk in vergelijking met reguliere scholen? Heeft een andere onderwijsorganisatie gevolgen op het behalen van de kerndoelen? En zijn kinderen meer of minder gemotiveerd op een daltonschool? En hoe zit het met burgerschapsvorming? Precies deze vragen hebben mijn collega’s en ik beantwoord aan de hand van twee studies.

Om erachter te komen of daltonleerlingen anders presteren dan leerlingen op reguliere scholen, hebben we gebruik gemaakt van gegevens die verzameld zijn in het kader van het Cohortonderzoek onderwijsloopbanen (COOL5-18). In COOL5-18 zijn om de drie jaar gegevens verzameld bij een groot aantal scholen en leerlingen. In de metingen zijn de gegevens van ruim 38000 leerlingen bij circa 550 basisscholen verzameld via toetsen en vragenlijsten die door ouders, leerkrachten en leerlingen zijn ingevuld. In onze eerste studie hebben we gekeken naar de gegevens uit de eerste meting van COOL5-18 in het schooljaar 2007-2008. In onze tweede studies – een replicatiestudie dus – gingen we na of het volgen van daltononderwijs voor de leerlingen uit de eerste meting bijdraagt aan hun prestaties drie jaar later (in het schooljaar 2010-2011).

Geneuzel met data
Uit deze enorme hoeveelheid gegevens hebben we allereerst een groep daltonscholen bepaald door uit het databestand scholen te selecteren die door de Nederlandse Dalton Vereniging zijn gecertificeerd als daltonschool. Sommige scholen in het bestand bleken namelijk geen erkende daltonschool te zijn. Maar er waren ook schoolleiders die hadden aangegeven dat hun school geen daltonschool was – maar dat bij nader inzien toch echt wel zo bleek te zijn. Kan gebeuren.

De effecten van daltononderwijs wilden we bepalen door de scores van deze groep scholen te vergelijken met scholen die geen vernieuwende onderwijsconcepten in hun onderwijs hanteren. Om een goede vergelijking te kunnen maken moesten we dus een groep scholen bij elkaar zoeken die volledig ‘old school’ – traditioneel dus – zijn ingericht. In ons onderzoek zijn scholen als traditioneel aangemerkt indien ze voldeden aan twee criteria: (1) scholen hanteren geen vernieuwende schoolconcepten of elementen daarvan toepassen en (2) scholen beschrijven hun onderwijs zelf als ‘old school’. Dit monnikenwerk leidde ertoe dat we in onze eerste studie uiteindelijk op de proppen kwamen met een groep van 31 daltonscholen en 26 traditionele scholen. In onze tweede studie moesten we uitgaan van slechts twaalf daltonscholen en negen reguliere scholen, omdat in de tweede meting van COOL5-18 niet alle scholen weer meededen.

In het COOL5-18 databestand zijn een behoorlijk aantal prestatiematen afgenomen bij leerlingen. In onze analyses hebben we gekeken naar de scores van leerlingen in groepen 2, 5 en 8 op de gebieden taal, lezen, rekenen (cognitieve prestaties), welbevinden, cognitief zelfvertrouwen, taakmotivatie (niet-cognitieve prestaties) en burgerschapscompetenties. In totaal hebben in beide studies voor 21 prestatiematen bekeken of er verschillen zijn tussen daltonleerlingen en leerlingen op reguliere scholen. Maar dan waren we er nog niet.

Verschillen in prestaties worden namelijk niet alleen verklaard door het schooltype (dalton of regulier), maar ook door achtergrondkenmerken van leerlingen en door het feit dat leerlingen bij elkaar in de klas zitten. Omdat we alleen geïnteresseerd waren in het effect van daltononderwijs, moesten we rekening proberen te houden met deze extra invloeden. Dat deden we door te controleren voor factoren als: geslacht, intelligentie, etniciteit en opleidingsniveau van de ouders en de mate van ouderbetrokkenheid. Verder konden we in onze analyses rekening houden met het gegeven dat leerlingen die bij elkaar in een klas zitten, gemiddeld genomen meer met elkaar gemeen hebben dan leerlingen uit andere groepen of scholen.

And the results are…
Een opvallend resultaat in beide studies was dat daltonbasisscholen een “gunstiger” leerlingpopulatie hebben in vergelijking met reguliere scholen. Ouders van leerlingen op daltonscholen zijn meer betrokken, hoger opgeleid en vaker van autochtone afkomst dan de ouders van leerlingen op reguliere scholen. Maar zoals gezegd hebben we in onze analyses rekening gehouden met deze invloeden, omdat we wilden nagaan wat de toegevoegde waarde is van het daltonconcept.

Nadat we voor deze achtergrondkenmerken hadden gecontroleerd, vonden we eigenlijk geen verschillen tussen daltonscholen en reguliere scholen voor wat betreft cognitieve en niet-cognitieve resultaten. In elke studie vonden we maar een significant verschil op de 21 verschillende prestatiematen die we bekeken. In de eerste studie vonden we dat leerlingen op daltonscholen in groep 2 significant beter presteren op de taaltoets. In de tweede studie vonden we dat daltonleerlingen in groep 8 scoren hoger op burgerschapskennis. Deze bevindingen konden we echter niet repliceren in beide studies. Het is dus onduidelijk of deze verschillen überhaupt betekenisvol zijn.

“Geen voordeel, maar ook geen nadeel voor dalton” dus. Daltononderwijs leidt niet tot meer leren of een hogere motivatie dan regulier onderwijs. Dit is overigens opmerkelijk, omdat in andere (inter)nationale studies is gevonden dat de leerprestaties van leerlingen op vernieuwende scholen juist achterblijven. De uitkomsten van ons onderzoek laten dus iets anders zien: regulier onderwijs blijkt niet effectiever te zijn dan onderwijs dat uitgaat van vernieuwende onderwijsaspecten zoals samenwerken, vrijheid en zelfstandigheid. Verschillende manieren van werken in het onderwijs kunnen dezelfde opbrengsten hebben.

Wel nog even een disclaimer. Er valt altijd iets aan te merken op onderwijsonderzoek. In ons onderzoek hebben we minder dan zes procent van het totale aantal daltonscholen kunnen onderzoeken waarbij we gebruik hebben gemaakt van data uit het verleden. Ook hebben we nog geen inzicht in de effecten van daltononderwijs op de mate waarin leerlingen nu en in het vervolgonderwijs meer in staat zijn tot samenwerken en zelfstandigheid. Of kinderen blijer of gelukkiger zijn op daltonscholen weten we ook nog niet. Er is duidelijk meer onderzoek nodig om een beter beeld te krijgen van de toegevoegde waarde van daltononderwijs en de werkzaamheid van de vernieuwende onderwijsprincipes waarop daltononderwijs gestoeld is. Dat gaan we de komende jaren dan ook zeker doen.

Geraadpleegde literatuur 

Paas, T. & Mulder, L. (2010). Dalton doet het beter dan doorsnee school. Didaktief, 6, 2-4.

Sins, P.H.M., Van der Zee, S., & Schuitema, J.A. (2021). The effectiveness of alternative education: A comparison between primary Dalton schools and traditional schools on outcomes of scholling. School Effectiveness and School Improvement.

Sins, P.H.M. & Van der Zee, S. (2015). De toegevoegde waarde van traditioneel vernieuwingsonderwijs: Een studie naar de verschillen in cognitieve en niet-cognitieve opbrengsten tussen daltonscholen en traditionele scholen voor primair onderwijs, Pedagogische Studiën, 92, 254-273.

Van der Zee, S. (2015). De effectiviteit van Daltononderwijs. Deventer: Saxion University Press.