Dalton, kan dat wel op een ISK?
Joana Oliveira Soeiro en René Berends
Op 24 februari jl. postte Joana Oliveira Soeiro op LinkedIn een berichtje dat begon met de vraag: Hoe koppel je een ISK-visie aan een daltonvisie? René Berends, eindredacteur van DaltonVisie, sloeg hierop aan. Het contact was snel gelegd en Joana bleek bereid om René te ontvangen om over deze vraag een gesprek te hebben. De Internationale Schakel Klas (ISK) van het Stedelijk Dalton Lyceum in Dordrecht is – voor zover wij weten – de enige dalton-ISK die we in Nederland hebben. Dus is eigenlijk alleen op deze school de vraag te beantwoorden of ‘dalton’ wel kan op een ISK!
Tijdens onze ontmoeting spraken we af het artikel in de vorm van een tweegesprek te schrijven.
René: Hi Joana, laten we beginnen ons aan elkaar voor te stellen. Ik ben inmiddels een pensionado, maar nog wel als daltononderzoeker van het lectoraat van Saxion actief in het daltonwereldje. Als eindredacteur van DaltonVisie ben ik altijd op zoek naar onderwerpen voor leuke artikelen. Vandaar mijn nieuwsgierigheid naar het antwoord op de vraag die je op LinkedIn stelde.
Joana: Ik ben op het Stedelijk Dalton Lyceum (SDL) begonnen als docent Nederlands. We hebben op onze school naast een vwo-, mavo-/havo- en een vmbo-locatie drie ISK-locaties. Ik geef inmiddels geen les meer, maar ben clustercoördinator bij RPO Rijnmond ZHZ, daltonopleider op het Stedelijk Dalton Lyceum en schoolopleider en stagecoördinator op de ISK-locaties. Ik houd me graag bezig met professionalisering op allerlei vlakken.
René: Hoe ben jij eigenlijk bij ‘dalton’ terechtgekomen?
Joana: Het was na mijn afstuderen moeilijk om een baan te vinden, hoewel je dat nu met het tekort aan docenten Nederlands bijna niet kunt geloven. Toen ik op het SDL in Dordrecht kon beginnen, ontdekte ik dat de vrijheid die de leerlingen daar kregen, mij wel beviel. Natuurlijk heb je met pubers te maken en die zijn soms wat tegendraads, maar het investeren in een goede relatie en ze in te laten zien dat ze voor zichzelf werken, helpt om ze aan de slag te krijgen. Het was er minder ‘leren voor de leraar en omdat het moet’, wat ik op een vorige school ervaren had. Het vak dat je als docent gaf – in mijn geval: Nederlands – is op onze school primair bedoeld om vormend te zijn en dat vraagt van elke leraar kennis van het eigen vak, maar vooral ook pedagogische vaardigheden.
René: Je werkt nu voor de Internationale Schakelklas. Wat is dat precies?
Joana: Een ISK is de eerste onderwijs’halte’ voor kinderen in de leeftijd van 12 tot 18 jaar die uit het buitenland naar Nederland gekomen zijn. Het zijn kinderen van over de hele wereld: van Oekraïne, Syrië, Iran, Irak, China en de Filippijnen tot verschillende landen in Europa. Vaak komen ze met een ouder of beide ouders en eventueel broers en zussen. Als ze zonder ouders komen, worden ze ‘alleenstaande minderjarige vreemdelingen’ (amv’ers) genoemd.
De ISK-locaties van het SDL verschillen qua grootte, zowel in gebouw als in leerlingaantallen. Onze grootste locatie verwelkomt dagelijks zo’n 200 leerlingen. De andere twee locaties hebben rond de 80 tot 90 leerlingen. De klassen bestaan uit maximaal 17 leerlingen en zijn qua leeftijden heterogeen samengesteld. We delen de leerlingen in op hun taalniveau in het Nederlands. We hebben tussentijdse toetsen, zodat leerlingen snel door kunnen stromen naar het taalniveau dat bij hen past.
De meeste leerlingen stromen uit naar het mbo, al hebben ze daar soms ook nog een achterstand in het Nederlands. Soms ook stromen leerlingen tussentijds uit naar een reguliere vmbo, havo of naar het vwo. Het is van belang dat ze ook in het vervolgonderwijs nog ondersteund worden op hun taalontwikkeling. We hebben daartoe een expertisecentrum opgericht.
René: Zijn het eigenlijk kinderen die in hun land van herkomst ook onderwijs genoten hebben?
Joana: Dat is heel wisselend! Er zijn kinderen die amper naar school gegaan zijn en die soms ongeletterde ouders hebben, maar er zijn ook kinderen die gewend waren om naar school te gaan en die nu vooral bijgeschoold moeten worden in het Nederlands.
Ondanks de verschillen, vinden we het een dankbare doelgroep. Het zijn beleefde, vrolijke en vriendelijke leerlingen, die altijd gedag zeggen, dank u wel zeggen en die blij zijn naar school te kunnen en vooral blij zijn om niet meer voortdurend in angst te hoeven leven.
René: Het lijkt me wel bijzonder als je bijvoorbeeld als docent biologie op jullie school solliciteert. Wat vraagt deze doelgroep aan specifieke vaardigheden van docenten?
Joana: De docenten die Nederlands geven, hebben een NT2-scholing gedaan waar je leert hoe je Nederlands aanleert aan anderstaligen. En andere docenten hebben van die scholing een ‘light-versie’ gehad, die zich echt richt op de didactische kant. Je communiceert immers in de klas in het Nederlands en ook de vakinhoud wordt verzorgd in het Nederlands. Verder zijn collega’s geschoold in traumasensitief en cultuursensitief werken.
Sommige leerlingen hebben echt van allerlei soorten ellende meegemaakt. Veiligheid is niet een standaard gegeven in hun leven geweest. Dat kan vroeg of laat ook op school een oorzaak zijn van onaangepast gedrag. Wie hier werkt, of je nu docent, conciërge of baliemedewerker bent, houdt daar rekening mee en werkt aan vertrouwen en veiligheid voor de leerlingen. We zijn nieuwsgierig en betrokken bij de leerlingen, we gaan met elkaar het gesprek aan en leren van elkaar.
En uiteindelijk zijn het ook nog ‘gewone’ pubers, gelukkig.
René: Hoe gaat dat met zoveel heterogeniteit in de school, die mix van leeftijden en allerlei culturen?
Joana: Eigenlijk vind ik dat dalton hier juist zo tot zijn recht komt. Je kunt niet ‘volgens het systeem’ werken. Als je zo oud bent, zit je in die klas, de CITO vertelt welk niveau je hebt. Je moet hier echt uitgaan van hoge verwachtingen, steeds bijsturen, aansluiten om erachter te komen waar een leerling staat en hoe hij verder kan. We hebben als team de verantwoordelijkheid om de leerlingen het onderwijs te bieden waar zij aan toe zijn en dit ook zo effectief mogelijk te doen. Leerlingen kunnen halverwege het jaar van groep veranderen, uitgaande van hun ontwikkeling en leertempo. Het is een utopie om te denken dat we op een ISK ‘alles eruit halen wat erin zit’. Twee jaar is daar gewoonweg te kort voor. Maar we halen in die twee jaar wel alles wat er te halen valt. Het is zo tof om te zien dat leerlingen graag terugkomen voor een stage of gewoon om even te vertellen hoe het nu is!
En in deze mix van culturen kun je niet anders dan met elkaar samenwerken, soms zelfs zonder taal. Mimiek speelt daarbij ook een grote rol. Als je ‘wat heb je hard gewerkt’ niet kunt begrijpen, begrijp je wel die glimlach en de high five van je docent. Al is een vertaalapp tegenwoordig toch echt wel handig. Ook helpen leerlingen van dezelfde taal elkaar als de een al net iets verder is dan de ander. Hier is de regel niet: we spreken alleen Nederlands. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat het juist ook goed kan werken om kinderen van dezelfde taal elkaar in hun eigen taal te laten uitleggen.
Het enige moment waarop we niet zo heterogeen werkten, was toen de oorlog in Oekraïne uitbrak. Er was een grote instroom van Oekraïense kinderen in Dordrecht en omstreken. Omdat toen nog het idee heerste dat die oorlog niet zo lang zou duren, heeft het SDL een tijdelijke onderwijsvoorziening (TOV) opgezet. Op die locatie liepen alleen Oekraïense kinderen rond, die hun eigen curriculum volgden met voornamelijk Oekraïense docenten. Het idee was dat de kinderen dan zo min mogelijk achterstanden zouden oplopen voor wanneer ze weer terug zouden gaan. Nederlands leren was een bijzaak. Toen bleek dat deze oorlog langer aan zou houden, werd de TOV omgezet naar een ISK.
Tegenwoordig zijn alle groepen weer gemengd en zitten de Oekraïense kinderen samen met de andere leerlingen in de klas. Onze school is echt een mini-maatschappij. Het is een heel internationale bedoening.
Maar we hebben ook hier nog wel wat te wensen. Zo zijn de contacten met de andere, reguliere locaties van Dalton Dordrecht bijvoorbeeld nog schaars. We hebben mooie voorbeelden uit de begintijd met de Oekraïense kinderen gehad. Toen regelden leerlingen van het reguliere Stedelijk Dalton Lyceum bijvoorbeeld op eigen initiatief bij de Gemeente fietsen voor de Oekraïense kinderen, zodat ze hen mee de stad in konden nemen. Maar zulke projecten zijn helaas meer uitzondering dan regel. Het intensiveren van het contact met Nederlandse kinderen is nog wel een wens. We willen het ontstaan van eilandjes juist doorbreken.
Leerlingen kennis laten maken met Nederland als land doen we wel veel. We trekken er met ze veel op uit. Als je leerlingen versneld wegwijs in de wereld wilt maken, moet je ze mee naar buiten nemen. Dat gaat van zwemles geven tot het bezoek van musea.
René: Ik hoor in je antwoorden eigenlijk allerlei dalton-‘dingetjes’: de wereld is je klaslokaal, de vakdocent die pedagogisch werkt, het investeren in de relatie met leerlingen, de vakinhouden als vormingsdoelen, de school als mini-maatschappij, het van en met elkaar leren. Waar zit voor jou in het onderwijs op het ISK nog meer ‘dalton’?
Joana: We hebben onze daltonscholing voor nieuwe leerkrachten op het Stedelijk Dalton in eerste instantie buiten de ISK gehouden. Maar daar zijn we op teruggekomen. Nu scholen we ook de docenten op het ISK. Dat doen we eerst vanuit het samen verkennen van wat de essentie van dalton is. Op de studiemiddag van 24 februari hebben we het vooral gehad over wat daarvan impliciet is en wat daarbij al expliciet is. We hebben ontdekt dat veel van de kernwaarden van nature voorkomen in een ISK. Je zou kunnen zeggen dat wat voor alle leerlingen waardevol is in het onderwijs, ook waardevol is voor ISK-leerlingen.
Maar dat is niet genoeg. We zijn ‘het woord’ aan het verspreiden. Van elke leraar, ook op het ISK, willen we graag dat ze kunnen vertellen waar ze de daltonvisie in hun praktijk realiseren. Daarbij hoort dat ze ook nog van alles te wensen hebben. Die zouden vorm kunnen krijgen in eigen, kleine experimentjes. We hebben bijvoorbeeld een collega die in zijn klas experimenteert met een leerlingcoach. Dat is een leerling die andere leerlingen helpt.
Zo’n leerlingcoach begint dan eerst met de handen op de rug door de klas te lopen, als een echte (ouderwetse) meester, maar wat later zie je dat hij naast nieuwe klasgenoten gaat zitten om ze echt te helpen. Dat is prachtig om te zien en een pareltje van een experiment. Ondertussen leren ook zulke leerlingcoaches zich in het Nederlands uiten.
René: Heb je meer voorbeelden waar bijvoorbeeld de kernwaarden expliciet worden?
Joana: Neem bijvoorbeeld de kernwaarde reflectie. Ook voor onze kinderen is het essentieel dat ze na leren denken over zichzelf, over hun relatie met anderen en over de voortgang in hun werk. Maar daar hebben ze wel taal voor nodig. Het is belangrijk in onze NT2-didactiek aandacht te hebben voor hoogfrequente woorden en voor typische schooltaal, zodat ze zo snel mogelijk hun weg kunnen vinden in de wereld en in taal, maar om over jezelf, je gevoelens, je werk, je relaties te reflecteren, is het leren van reflectietaal ook essentieel. En dat vraagt om een andere insteek in bijvoorbeeld je woordenschatonderwijs.
Ik heb nog wel een voorbeeld. Regelmatig komen oud-leerlingen terug in de ISK. Dat alleen al is natuurlijk een fijn idee. Ze hebben het naar hun zin gehad bij ons op school. Maar we gebruiken ze ook als voorbeeld voor de leerlingen die nog bij ons op school zitten. Ze vertellen wat ze aan school te danken hebben, wat ze met hun schoolkennis in de echte wereld kunnen, of in hun vervolgopleidingen.
René: Hoe ziet jullie rooster er eigenlijk uit?
Joane: We geven natuurlijk veel taalonderwijs. Daar werken we voor leerlingen die net binnen zijn met de TPR-aanpak: Total Physical Respons. Als je woorden als staan, lopen, zitten wil aanleren, moet je dat letterlijk ook doen. Dan ga je, terwijl je het woord zegt, staan, lopen en zitten.
Hoewel de lessen Nederlands in verhouding de meeste uren krijgen, geven we ook veel ‘reguliere’ vakken als Engels, wiskunde, mens en maatschappij, kunst, gymnastiek en muziek. Volgend jaar zal de lessentabel nog andere vakken, zoals biologie, gaan bevatten. Taal en thema’s zijn overkoepelend. Zo heb je zowel bij Nederlands als kunst het thema wonen. Zo komen woorden veel en op verschillende plekken steeds terug.
We onderzoeken wat daltonuren op een ISK kunnen betekenen voor de leerlingen. Leerlingen zijn bij ons vaak nog erg afhankelijk van de docent die hen vertelt wat te doen. Vaak is dat ook de onderwijscultuur in hun iegen land. Wij willen leerlingen aanleren verantwoorde keuzes te maken: naar welke leraar ga ik? Welke vragen heb ik nog en waar kan ik voor antwoorden terecht?
We moeten daar als leraren meer vanuit vertrouwen leren werken. Als we teveel sturen, kunnen leerlingen eigenlijk minder uit zichzelf laten zien. In ons didactisch handelen moeten we leren van autonomie en zelfstandigheid uit te gaan. Het adagio van Montessori geldt ook bij ons. De vraag van ook deze leerlingen is: help me het zelf doen.
We hopen eraan te bouwen dat de school ook voor onze ISK-leerlingen een plek is, waar ze ook mogen leren wat je zelf willen leren. Daar hebben we best vertrouwen in. Over het algemeen zijn het leerlingen die zeer intrinsiek gemotiveerd zijn om ‘ergens’ te komen.
Dus is het antwoord op de vraag: ‘kan dalton ook wel op een ISK’? bevestigend. Waarom zou het problematischer zijn? Waarom zou je niet reflecteren? Waarom zou je niet samenwerken? Waarom zou je niet jezelf ontdekken en leren wat je in de samenleving kunt betekenen?
Oliveira Soeiro, J., Berends, R. (2026). Dalton, kan dat wel op een ISK? DaltonVisie14(18).
Deze berichten in je inbox ontvangen?
Meld je aan voor de e-mailnieuwsbrief en ontvang elke maand een update.
Aanmelden e-mailnieuwsbrief