Meer leren door anders opvoeden door Patrick Sins

Meer leren door anders opvoeden

Door Patrick Sins, lector Vernieuwingsonderwijs Saxion en Thomas More Hogeschool

<< Verschillende onderzoeken laten steevast zien dat kinderen van hoogopgeleide ouders betere cijfers halen dan kinderen van laagopgeleide ouders. Dit verschijnsel heet de prestatiekloof. Het verschil in leerprestatie klinkt misschien logisch, maar hoort dat wel zo logisch te zijn? En belangrijker nog, wat kan de prestatiekloof verklaren? In deze bijdrage zoek ik een verklaring in verschillende opvoedingsstijlen en wat kinderen in de zomervakantie wel/niet doen>>

Soms doe je onderzoek naar iets en vind je iets anders wat ook aandacht verdient. Zo zijn we enkele jaren gestart met het onderzoeken van de effecten van vernieuwingsonderwijs. Onze resultaten laten zien dat er vooralsnog amper verschillen zijn tussen vernieuwingsscholen en reguliere scholen als het gaat om de taal- en rekenprestaties (Sins & Van der Zee, 2015). Wat echter vooral onze aandacht trekt is dat bijna alle analyses laten zien dat leerlingen met hoogopgeleide ouders hogere prestaties halen op taal en rekenen dan leerlingen met laagopgeleide ouders. Dit fenomeen is niet nieuw en wordt de prestatiekloof genoemd: verschillen in leerprestatie die samenhangen met verschillen in sociaaleconomische status van de ouders (Heyns, 1978; 1987).

Interessanter dan het bestaan van dit fenomeen is natuurlijk de verklaring. Ik denk dat het te maken heeft met verschillen in de hoeveelheid tijd die kinderen (kunnen) besteden aan taal-en rekenactiviteiten (zie ook Sins, 2012). En dan gaat het niet om de tijd die leerlingen op school spenderen, maar juist op wat zich daarbuiten afspeelt. Voordat ik mijn verklaring onderbouw, vind ik het nog belangrijk te melden dat ik niet oordeel over wat ‘goed’ leren is of wat ‘slecht’, laat staan dat ik denk dat je onderwijskwaliteit kan bepalen op basis van alleen taal-en rekenscores. Wat ik hier wil doen is een verklaring geven voor het curieuze gegeven dat het opleidingsniveau van ouders samenhangt met de scores van hun kinderen op de taal-en rekentoets.

De Amerikaanse onderzoekers Alexander, Entwisle en Olson probeerden zicht te krijgen op de oorzaken van de prestatiekoof. De onderzoekers namen de California Achievement Test (CAT) af bij 665 leerlingen op diverse scholen in Baltimore, Amerika. De CAT is een soort van citotoets voor begrijpend lezen en voor rekenen. De onderzoekers volgden de leerlingen vijf jaar lang en namen de CAT steeds aan het einde van ieder schooljaar af en aan het begin van het nieuwe schooljaar, net na de zomervakantie. Deze onderzoeksopzet stelde de onderzoekers in staat om te kijken in hoeverre de prestatiekloof te herleiden is naar verschillen in de mate waarin leerlingen uit verschillende laag, midden en hoog sociaaleconomische groepen leren tijdens het schooljaar of doordat het komt door iets wat zich tijdens de zomervakantie afspeelt.

De onderzoekers vonden geen verschil in de mate waarin leerlingen leren gedurende het schooljaar. Alle groepen lieten een gelijke vooruitgang zien. Sociaaleconomische status heeft dus geen invloed op de leeropbrengst tijdens het schooljaar. Maar als we kijken naar hoe leerlingen scoren op de CAT als ze terugkomen van de zomervakantie, dan worden verschillen zichtbaar. Zo blijken leerlingen uit de lagere inkomensgroep het nieuwe schooljaar te starten met een gelijk of zelfs minder niveau dan ze hadden aan het eind van het vorige schooljaar. Leerlingen uit de hogere inkomensgroep scoren daarentegen hoger op de CAT na de zomervakantie en beginnen dus met een voorsprong aan het schooljaar. Dit effect is cumulatief, wat betekent dat hoe hoger het inkomensniveau van ouders is des te hoger leerlingen scoren op de CAT. Kortom, leerlingen uit de lagere inkomensgroepen leren gedurende het schooljaar evenveel, maar tijdens de zomervakantie leren ze niets bij en laten soms zelfs een terugval in hun leerprestatie zien. Dit terwijl leerlingen uit hogere inkomensgroepen gedurende de zomervakantie extra bijleren. Alexander en collega’s vonden bovendien dat de prestatiekloof tussen leerlingen uit de lagere en hogere sociaaleconomische groepen gedurende de eerste vijf jaren op de basisschool zelfs verdubbelt.

De prestatiekloof wordt dus veroorzaakt door activiteiten die buiten de school plaatsvinden en die zijn deels terug te voeren naar de familiesituatie. Volgens onderzoekers ondernemen kinderen van ouders met een lage sociaaleconomische status tijdens de vakantie gewoon minder activiteiten die voor het verwerven van taal en rekenen voordelig zijn (Entwisle & Alexander, 1994). Leerlingen uit de hogere inkomensgroep worden meer gestimuleerd tot activiteiten als het bezoeken van musea, het nemen van muziek- en/of sportlessen, het lezen van boeken of het volgen van zomerscholen- of cursussen (Entwiste, Alexander, & Olson, 1994). Dit komt mede doordat deze kinderen meer financiële middelen tot hun beschikking hebben. Maar zeker niet alleen dat. Denk eens aan verschillen in opvoeding en welke effecten dat heeft op het taal en rekenen van kinderen

De Amerikaanse socioloog Annette Lareau onderzocht in de jaren negentig van de vorige eeuw enkele gezinnen met verschillende sociaaleconomische achtergronden. Lareau en haar onderzoekersteam observeerde elk gezin tijdens hun dagelijkse bezigheden door ze ongeveer twintig keer te bezoeken en te interviewen. De observaties gingen behoorlijk ver en waren behoorlijk intensief, voor beide partijen. Zo gingen de onderzoekers mee als de kinderen naar school moesten, ze volgden het gezin als ze naar de kerk gingen, ze waren van de partij als familie op bezoek kwam. Ook als een gezinslid een afspraak bij de huisarts had, waren Lareau en haar collega’s daarbij aanwezig.

Lareau vond twee patronen in de opvoedingsstijl van de gezinnen. Twee patronen die nagenoeg parallel lopen aan verschillen in sociaaleconomische klasse. Ouders met een modaal inkomen (middenklasse) zijn in hun opvoeding erg bezig om de talenten en vaardigheden van hun kinderen actief te ontwikkelen. Zo betrekken deze ouders hun kinderen in gesprekken en nodigen ze hen uit om vragen te stellen, kritisch te zijn en samen over activiteiten te overleggen. Verder zijn ouders uit de middenklasse ook meer actief in het organiseren en ondernemen van naschoolse activiteiten. Lareau noemt deze opvoedingsstijl concerted cultivation (vertaald: gecoördineerde opvoeding).

De opvoedingsstijl die voorkomt in gezinnen met een lager sociaal economische positie noemt Lareau accomplishment of natural growth (vertaald: bereiken van natuurlijke groei). Deze ouders vinden het van belang om vooral voor veiligheid, onderdak, voeding en liefde te zorgen. Ze gaan uit van een natuurlijke ontwikkeling en groei bij hun kinderen. Daarom geven ouders hun kinderen de ruimte om zelf invulling te geven aan hun vrijetijd. Voor kinderen uit deze gezinnen is het, in vergelijking met kinderen met een concerted cultivation opvoeding, minder gewoon actief deel te nemen aan gesprekken met volwassenen. Ze worden daartoe minder aangezet door hun ouders.

Het verschil tussen beide opvoedingsstijlen komt mooi naar voren in Lareau’s beschrijving van een bezoek aan de huisarts. Terwijl het ene kind zich samen met haar moeder heeft voorbereid op het bezoek en actief vragen stelt aan de dokter (concerted cultivation), geeft het andere kind slechts kort en bondige antwoorden op vragen van de huisarts en neemt zelf niet deel in het gesprek dat zijn moeder met de arts heeft (accomplishment of natural growth). Beide opvoedingsstijlen hebben hun eigen voordelen volgens Lareau. Zo leren kinderen uit arbeidersgezinnen meer over sociale omgang met leeftijdsgenoten en zijn ze creatiever in het invullen van hun vrijetijd. Het voordeel van concerted cultivation is dat kinderen meer ondernemend zijn en met meer zelfvertrouwen interacties met anderen aangaan. In onze huidige samenleving worden juist deze kwaliteiten gewaardeerd, vooral in het onderwijs- en werkveld. Kinderen uit arbeidersgezinnen worden in dit opzicht dus benadeeld.

Kortom, de prestatiekloof kan voor een groot deel worden verklaard door verschillen in hoe ouders invulling geven aan hun opvoeding. Verschillen in opvoedingsstijlen leiden tot verschillen in de hoeveelheid tijd die kinderen besteden aan activiteiten die bijdragen aan leren. En dit zien we terug in de verschillende scores op taal en rekenen. Kinderen uit meer welgestelde gezinnen scoren hoger, niet omdat ze slimmer zijn, maar omdat ze netto meer tijd besteden aan leren. Ze worden in hun opvoeding daartoe ook aangezet en uitgedaagd. En dat (juist) ook in de zomervakantie. En dit heeft onmiskenbaar grote gevolgen voor de verder school- en werkcarrière van leerlingen. Meer leren door anders opvoeden dus?

 

Geraadpleegde literatuur

Alexander, K.L., Entwisle, D.R., and Olson, L.S. (2001). Schools, Achievement, and Inequality: A Seasonal Perspective. Educational Evaluation and Policy Analysis, 23(2), 171–191.

Bilde, J. de. (2012).  Alternative education. Examining the effects of alternative educational approaches

Entwisle, D. & Alexander, K. (1994). Winter setback: school racial composition and learning to read. American Sociological Review, 59, 446-60.

Entwisle, D.R., Alexander, K.L., & Olson, L.S. (1994). The gender gap in math: Its possible origins in neighborhood effects. American Sociological Review, 59(6), 822-838.

Driessen, G., Mulder, L., Ledoux, G., Roeleveld, J., & Van der Veen, I. (2009). Cohortonderzoek COOL5-18. Technisch rapport basisonderwijs, eerste meting 2007/08. Amsterdam, Nederland: SCO-Kohnstamm Instituut.

Heyns, B. (1978). Summer Learning and the Effects of Schooling. New York: Academic Press.

Heyns, B. (1987). Schooling and cognitive development: Is there a season for learning? Child Development, 58, 1151–60.

Lareau, A. (2003). Unequal Childhoods: Class, race, and Family Life. Berkeley and Los Angeles, CA: University of California Press.

Sins, P.H.M. (2012). It’s about time. Deventer: ‚Ä®Saxion Dalton University Press.

Sins, P.H.M. & Zee, S. van der (2015).  De toegevoegde waarde van traditioneel vernieuwingsonderwijs: een studie naar de verschillen in cognitieve en niet-cognitieve opbrengsten tussen daltonscholen en traditionele scholen voor primair onderwijs. Pedagogische Studiën, 92, 254-273.