Trots

Trots!

Door Patrick Sins, lector Vernieuwingsonderwijs, Saxion en Thomas More hogeschool

Ik voel me trots. Trots op hetgeen de onderzoekers van het lectoraat (de kenniskring) voor en samen met vernieuwingsscholen hebben mogen doen. Een korte greep uit enkele hoogtepunten van het afgelopen jaar: het aansluiten van de Nederlandse Jenaplan Vereniging (NJPV), de Nederlandse Montessorivereniging (NMV), de Vereniging voor Freinetpedagogie (VF) en de Vereniging Bijzondere Scholen (VBS) bij het lectoraat (hierdoor bedienen we nu meer dan driekwart van alle Nederlandse vernieuwingsscholen!), het ontwerpen en onderzoeken van programma’s voor het effectief bevorderen van zelfsturend leren (iSelf) en burgerschapsvorming binnen wetenschap- en techniekonderwijs in samenwerking met een tiental vernieuwingsscholen (Samen werken aan Bèta Burgerschap), het uitroepen van onze studie naar effectiviteit van het daltononderwijs tot een van de drie beste onderwijsonderzoeken van 2015, het opleveren van een proefschrift over de effectiviteit van het daltononderwijs, het inspireren van leraren tot het zelf doen van onderzoek op hun school, het opzetten van een specialisatie montessori- en daltononderwijs binnen onze Master Leren & Innoveren en het uitbreiden van het lectoraat bij Thomas More hogeschool te Rotterdam. En dan heb ik nog niet gehad over de vele lezingen en workshops die we in het (buiten)land hebben mogen verzorgen. Of over het gegeven dat we niet alleen onderzoek doen dat relevant moet zijn voor alle vernieuwingsscholen, maar ook studies uitvoeren die zich specifiek richten op (aspecten uit) het dalton-, montessori-, jenaplan- of freinetonderwijs.

Even een stijlbreuk. Met een bedoeling, dat dan weer wel. Ik ben een Maastrichtse Amsterdammer. Ik vervul uiteraard meerdere functies in het leven, maar in het kader van deze column richt ik me even op deze. De Maastrichtse Amsterdammer. Twee verschillende culturele achtergronden verenigd, voor zover ik van verschillende culturen in een klein land als het onze kan spreken. Dit gegeven draagt er dikwijls aan bij dat ik tegenstrijdige gedachtes in overeenstemming moet proberen te brengen alvorens ik iets onderneem. Althans dat sterke vermoeden heb ik. Enerzijds gebiedt mijn Maastrichtse inborst me dat bescheidenheid hier meer op zijn plaats is. “Sjijj 'ns oet en doech toch neet zoe gek” (doe maar normaal, dan doe je al gek genoeg). Anderzijds zegt de Amsterdammer in me dat ik geen blad voor de mond hoef te nemen, integendeel. “Het kan me niet verrotten” (vertaling lijkt me niet nodig). Om toch enigszins tegemoet te komen aan mijn ambivalent karakter zal ik mijn trots niet onder stoelen of banken steken (de Amsterdammer), omdat ik het gewoon ben, maar tegelijk proberen aan te tonen dat dit niet ongegrond is (de Maastrichtenaar). Juist omdat ik denk dat we met het lectoraat beantwoorden aan hetgeen we proberen te beogen. Ik hanteer hiervoor het populaire concept van de ‘Golden Circle’ van de Britse auteur en spreker Simon Sinek. Ik start met de vraag “Waarom?”

Waarom?

Wij willen aan de hand van praktijkgericht wetenschappelijk onderwijsonderzoek de kwaliteit van het vernieuwingsonderwijs en de professionalisering van leraren vergroten. Dat is de kern van wat we met het lectoraat beogen: een praktijkrelevante wetenschappelijke beschouwing en aanscherping van de onderwijsvisie op onze vernieuwingsscholen. Om onderwijsonderzoek nuttig en toepasbaar voor de praktijk te laten zijn is lastig, vooral omdat er een kloof wordt ervaren tussen onderwijsonderzoek en onderzoekers aan de ene kant en de onderwijspraktijk en onderwijsprofessionals (zoals leraren, leidinggevenden, intern begeleiders,…) aan de andere kant. Ik heb deze kloof in het verleden ook meerdere malen zelf ondervonden tijdens mijn loopbaan als onderwijsonderzoeker op de diverse universiteiten.

Zo was het altijd enorm lastig scholen te vinden die wilden deelnemen aan ons onderzoek. Ook stonden de bevindingen uit ons onderzoek in sommige gevallen gewoonweg te ver van de dagelijkse onderwijspraktijk, met als gevolg dat het heel moeilijk was om de resultaten te vertalen naar praktische aanbevelingen voor de praktijk. Tevens bleken leraren weinig bekend met resultaten uit onderwijsonderzoek. Onderzoekers werd verweten dat ze weinig van de onderwijspraktijk wisten. De universiteiten waarvoor ik werkte lazen de kwaliteit van mijn werk grotendeels af op basis van het aantal gerealiseerde publicaties in wetenschappelijke tijdschriften, die veruit de meeste leraren niet lezen. En dan is het niet alleen de vraag of dat laatste zo erg is, maar vooral ook of kwaliteit van onderwijsonderzoek niet juist ook besloten ligt in de mate waarin bijvoorbeeld scholen en hun leraren en leerlingen profiteren van de opbrengsten uit onderzoek. Dat dat laatste door universiteiten in het algemeen als minder belangrijk wordt ervaren, kwam onder meer naar voren uit een gesprek dat ik een paar jaar geleden geleden met een hoogleraar in de onderwijskunde, na afloop van een onderzoekersconferentie, had. Er zijn uiteraard uitzonderingen op deze regel en misschien had de hoogleraar in kwestie het niet zo bedoeld. Maar ik heb sterke vermoedens dat veel professionals die werkzaam zijn als onderwijsonderzoekers aan universiteiten deze visie delen. Ik vroeg hem naar het belang van praktijkonderzoek en welke rol scholen daarin nemen. Hij zei dat zijn onderzoeksgroep al praktijkonderzoek deed, maar dat ze nu nog op zoek moesten naar scholen.

Als onderzoeker ervoer ik bovendien in sommige gevallen zelf een afstand tussen mezelf als onderzoeker en de leraren. Een voorbeeld ter verduidelijking. In 2006 deed ik als postdoc onderzoeker aan de Universiteit Utrecht samen met enkele collega’s en betrokken docenten een studie naar een vernieuwende didactiek op een middelbare school in Utrecht. Het was de bedoeling dat docenten tijdens de vrije lessen, een middag per week, didactisch invulling gingen geven aan een door de onderzoekers opgesteld theoretisch concept. Dit concept betrof kenniscreatie. In een notendop ging het er hier om dat leerlingen gaan samenwerken aan het ontwikkelen van een kennisobject, dat kon bijvoorbeeld een documentaire, website, of onderzoeksverslag zijn. De onderzoekers namen de instructie en begeleiding door docenten op en volgden enkele groepjes leerlingen gedurende een studiejaar nauwgezet. Onderzoekers en docenten bespraken de voortgang tijdens plenaire bijeenkomsten. Ik weet nog goed te herinneren dat een van de meest betrokken docenten in het onderzoek me tijdens een bijeenkomst vroeg in hoeverre we als onderzoeker er een dubbele agenda op nahielden, omdat we volgens hem de deelnemende docenten tijdens het traject maar beperkt begeleiding hadden geboden. Dat klopte, omdat we als onderzoekers dit proces juist wilden onderzoeken en ons niet teveel wilden bemoeien met hoe docenten invulling gaven aan kenniscreatie. We hanteerden deze aanpak vooral uit gewoonte, wat een onderzoeker behoort te doen: objectief observeren en daarover rapporteren in een wetenschappelijke publicatie. Dit betekende dat we vooral data wilden verzamelen die het ons mogelijk maakte om later betrouwbare en valide uitspraken te doen, daar hoorde onze deelname in het begeleiden van docenten vanuit onze ‘traditionele’ rol als onderzoeker volgens ons oordeel niet bij. Omdat we door onze inbreng onze dataverzameling te zeer zouden vertroebelen.

Ik was ontzettend blij met deze opmerking. Ten eerste omdat de betreffende docent, waarmee ik tijdens en na afloop van het project overigens een heel goede band mee had opgebouwd, me een ongemakkelijk kijkje bood in de kloof tussen onderwijsonderzoek en onderwijspraktijk. Ten tweede liet hij me inzien dat, als ik als onderzoeker iets wilde betekenen voor de onderwijspraktijk en daar een wezenlijke bijdrage aan wilde leveren, ik mijn rol als onderzoeker moest heroverwegen (reflecteren dus).

Om door middel van onderzoek de kwaliteit van het vernieuwingsonderwijs en de professionalisering van docenten te vergroten moet de kloof tussen onderwijspraktijk en onderwijsonderzoek worden overbrugd. Door zowel onderzoekers als onderwijsprofessionals. Louter het publiceren van onderzoek volstaat niet, louter observeren van onderwijsprocessen en –praktijk volstaat niet, louter scholen zoeken voor dataverzameling volstaat niet, louter onderzoek doen zonder de onderwijspraktijk erbij betrokken als deelnemer, kritische vriend, mede-eigenaar en verantwoordelijke volstaat niet. Om ons doel als lectoraat te verwezenlijken, moeten we samen (in co-creatie) onderzoek doen met de onderwijspraktijk. Hiermee komen we bij de “Hoe?”

Hoe?

De overlappende kerntaken van het lectoraat zijn: onderzoek, kennisbenutting en onderwijs. Kennisbenutting is een vervelend en lastig woord, maar ik kom er nog op terug want het is essentieel onderdeel van ons werk. Ten eerste doen we onderzoek. Het opzetten en uitvoeren van praktijkonderzoek doen we altijd in samenwerking met de praktijk van de vernieuwingsscholen. Dit houdt in dat we op basis van het doen van onderzoek nieuwe kennis willen ontwikkelen in co-creatie met de vernieuwingsscholen, waarbij het de bedoeling is dat de praktijk verder wordt geholpen met een probleem en er wetenschappelijke kennis wordt ontwikkeld die relevant is voor de praktijk. Het streven naar generaliseerbare inzichten die de setting overstijgen waar het onderzoek heeft plaatsgevonden, zorgt ervoor dat het onderzoek ook een brede toegevoegde wetenschappelijke waarde heeft. Dit betekent dat ons praktijkonderzoek aan dezelfde kwaliteitscriteria moet voldoen als ieder ander onderzoek dat generaliseerbare uitspraken wil opleveren. De methoden die wij in ons praktijkonderzoek gebruiken moeten daarom leiden tot resultaten die: (a) toegankelijk zijn voor onderwijsprofessionals, (b) als relevant worden ervaren en (c) leiden tot toepasbare verbeteringen van de onderwijspraktijk op vernieuwingsscholen. Een van de middelen die we dit jaar gaan inzetten om dit te realiseren is het per onderzoek instellen van een zogeheten taskforce. Deze taskforce zal telkens bestaan uit onderzoekers en onderwijsprofessionals die op basis van onderzoeksbevindingen concrete aanbevelingen voor de onderwijspraktijk zullen formuleren.

Om dit te realiseren overleggen we in al onze studies intensief samen met onderwijsprofessionals uit het vernieuwingsonderwijs over de strategie en methoden van onderzoek. Zowel de onderzoeksvraag, de probleemstelling, het onderzoeksdesign, de eventueel te ontwikkelen onderwijsmaterialen en didactiek als de mogelijke coaching van leraren worden besproken en overeengekomen. Hiermee is er geen sprake van afstand tussen onderwijsonderzoekers en onderwijsprofessionals. Gedurende de gehele looptijd van onze onderzoeksprojecten staan kenniskringleden zoveel mogelijk met de voeten in de klei: hierdoor komen we meer te weten over wat er speelt in de onderwijspraktijk en houden we rekening met de praktijk zoals die is. Kortom, we doen onderzoek waarbij we continu afstemmen met de praktijk (co-creatie). Een voorbeeld van de intensieve samenwerking met vernieuwingsscholen blijkt onder meer uit de totstandkoming en uitwerking van de vier onderzoekslijnen van het lectoraat: (1) onderwijseffectiviteit, (2) leren van leraren, (3) brede vorming en (4) zelfgestuurd leren. Deze lijnen zijn als gevolg van meerdere intensieve discussies met en feedback van vertegenwoordigers van de besturen van de NDV, NJPV, NMV, VF en VBS opgesteld.

Het lectoraat doet in aansluiting hierop aan kennisbenutting. Dit betekent dat we onze onderzoeksbevindingen en kennis die we hieruit genereren op zoveel mogelijk manieren vertalen voor de onderwijspraktijk. Zo zijn er inmiddels negen boeken gepubliceerd (waaronder een praktijkboek voor het daltononderwijs Focus op dalton), schrijven we columns en hebben we nogal wat bijdragen in wetenschappelijke tijdschriften en de diverse vakbladen (zoals DaltonVisie, VBSchrift, Montessori Magazine, Mensenkinderen, Pedagogiek, Het Blad, Tijdschrift Taal en Didactief) en/of op de eigen site www.saxion.nl/vernieuwingsonderwijs geleverd. Verder organiseren we geregeld bijeenkomsten, (inspiratie)lezingen en workshops waarin op interactieve wijze met professionals uit de onderwijspraktijk wordt gewerkt aan manieren om de opgeleverde onderwijswetenschappelijke inzichten uit ons onderzoek verder toepasbaar en concreet te maken.

Naast het doen van praktijkgericht onderzoek voor, en in samenwerking met, vernieuwingsscholen en kennisbenutting wil het lectoraat ook een sterke bijdrage leveren aan de professionalisering van leraren die werkzaam (willen) zijn in het vernieuwingsonderwijs. Dat doen we door onderwijs te realiseren op verschillende manieren. Zo begeleiden we bijvoorbeeld stageonderzoek dat binnen een van de vier onderzoekslijnen van het lectoraat in het kader van een bachelor en/of masterstudie kan worden uitgevoerd. Sinds 2015 heeft het lectoraat een verdiepende minorFocus op daltonopgezet. Doel van de minor is aankomende leraren te informeren over de theorie en praktijk van het daltononderwijs en over onderzoek naar daltononderwijs. Tevens doen studenten ervaring op, met als doel hen handelingsbekwaam te maken in het geven van daltononderwijs. Om professionele ontwikkeling van ervaren leraren in het dalton- en montessorionderwijs (po en vo) te realiseren en ze binnen het lectoraat onderzoek te laten doen, start het lectoraat vanaf dit studiejaar (2016/2017) met de hbo Master Leren & Innoveren Onderzoekende Ontwerper. De master leidt leraren op tot onderzoekende ontwerper waarbij kennis en vaardigheden van dalton- of montessorionderwijs wordt verruimt. Tijdens deze master werken leraren samen met kenniskringleden aan hun eigen dalton- of montessoriproject en verdiepen zich aan de hand van onderzoek binnen de onderzoekslijnen van het lectoraat in een van de belangrijke thema’s van dalton of montessori.

Ik ben er trots op dat we in staat zijn om aan de hand van onderzoek, kennisbenutting en onderwijs een bijdrage te geven van een kwaliteitsimpuls aan het vernieuwingsonderwijs. Maar wat zijn de kernactiviteiten en –opbrengsten van het lectoraat? “Wat?” dus tenslotte.

Wat?

Het lectoraat richt zich op het uitvoeren van onderzoek binnen vier onderzoekslijnen. Enkele activiteiten en opbrengsten in het afgelopen studiejaar zal ik per onderzoekslijn kort toelichten.

1. Onderwijseffectiviteit

In deze onderzoekslijn onderzoeken we wat de cognitieve en niet-cognitieve opbrengsten zijn van het vernieuwingsonderwijs op de korte en de langere termijn. Naast een proefschrift over de effectiviteit van daltononderwijs, hebben we een studie in Pedagogische Studiën gepubliceerd, waarin we de meerwaarde van het daltononderwijs hebben onderzocht. Deze studie is door onderwijsblad Didactief genoemd als een van de beste onderwijsonderzoeken van 2015. Daarnaast zijn we bezig onderzoek te doen naar de effectiviteit van montessori- en jenaplanonderwijs en voeren we een grootschalige studie uit naar de effecten van vernieuwingsonderwijs op sociale, cognitieve en niet-cognitieve competenties in het vervolgonderwijs. Tenslotte is in samenwerking met de Universiteit Maastricht en de NMV een studie gestart naar executieve functies in het Montessorionderwijs.

2. Leren van leraren

Het onderzoek dat in deze lijn aan bod komt, richt zich enerzijds op de vraag hoe professionele ontwikkeling van leraren in de dagelijkse lespraktijk in kaart kan worden gebracht en ze hierover kunnen worden geïnformeerd en anderzijds op een tweetal aanpakken ter bevordering van de professionele ontwikkeling van leraren in het primair en voortgezet onderwijs. In samenwerking met enkele hogescholen en scholen in Europa heeft het lectoraat een projectaanvraag getiteld Working to Academic Valuable Excellence for International Teachers (WAVE-IT) ingediend. In dit project zal onder meer onderzoek worden gedaan naar didactische principes voor het opleiden voor ondernemend leraarschap, reflectieve professional en competenties en vaardigheden voor de Europese leraar. In het laatste project zal onderzoek plaatsvinden naar leeractiviteiten van leraren in het vernieuwingsonderwijs met behulp van mobiele applicatie (zoals iPhone). Tevens zijn er twee publicaties verschenen over ons onderzoek naar peer review als effectieve voorwaarde voor professionele ontwikkeling van leraren in respectievelijk Didactief en in het Onderwijsblad.

Binnen het kader van ons onderzoek naar visitaties in het daltononderwijs (po en vo) hebben we niet alleen een grootschalige vragenlijstonderzoek gedaan maar hebben we ook een viertal focusgroepen georganiseerd. De voorlopige bevindingen wijzen erop dat zowel scholen als visiteurs in zowel het po als het vo de nieuwe visitatieprocedure enorm waarderen. Daarnaast geven ze aan dat eigenaarschap niet alleen van groot belang voor het vormgeven van het daltononderwijs, maar het ook een vereiste is voor het borgen en verbeteren ervan door middel van visitaties. Bevindingen worden eind oktober dit jaar definitief bekend gemaakt. Er zal niet alleen een taskforce zich gaan bezighouden met de vraag welke aanbevelingen er gedaan kunnen worden voor visitaties in het daltononderwijs, maar er zal ook samen met de andere vernieuwingsbewegingen worden gekeken naar manieren om hun visitatiepraktijken te verbeteren op basis van onze bevindingen.

3. Brede vorming

In deze onderzoekslijn gaan we in op de vraag hoe brede vorming kan worden begrepen en op welke wijze het vernieuwingsonderwijs kan bijdragen aan het ondersteunen en stimuleren daarvan. Het lectoraat heeft in samenwerking met VBS de Onderwijsraad geadviseerd in het kader van het advies De volle breedte van onderwijskwaliteit. Verder zijn een literatuurstudie en expertbijeenkomst rondom de realisatie van brede vorming in het vernieuwingsonderwijs in voorbereiding.

In het project Samen Werken aan Bèta Burgerschap werken we samen met vijf bedrijven (Machinefabriek Boessenkool, VDL Enabling Technology Group en URENCO, Techniek Museum Hengelo (HEIM), WETSUS, Lectoraat Waterschap, acht po en drie vo scholen (dalton –en jenaplan), en de Universiteit Twente aan een programma van leeractiviteiten bèta en techniek. Het wordt een programma dat niet alleen beroepsvoorbereidend is, maar ook burgerschapsvormend. In het project leren leraren om zulke leeractiviteiten te ontwikkelen, uit te voeren en te evalueren. Leraren professionaliseren zich door vaardig te worden in het toepassen van de nieuwe aanpak en in het begeleiden van het leerproces van de samenwerkende leerlingen met gebruik van training en video coaching. Kijk voor meer informatie en een video van ons project op de website van TechYourFuture. Dit heeft onder meer geleid tot het verwezenlijken van een aantal lesprogramma’s waarin didactisch vorm is gegeven aan groepsgewijs probleem oplossen. Tevens zijn leraren die deelnemen in dit project in samenwerking met alle partners gecoacht in hoe groepsgewijs probleem oplossen moet worden ondersteund en begeleid.

4. Zelfgestuurd leren

Hoe leer je leerlingen zelfgestuurd te leren? Wat kan je als leerkracht doen? Wat heeft nut? en Wat werkt? Om deze vragen te beantwoorden is het lectoraat in het najaar van 2014 een samenwerking aangegaan met acht daltonscholen, een Freinet school en het Welten-Instituut van de Open Universiteit. In dit project iSelf werken onderzoekers en onderwijsprofessionals die werkzaam zijn op de vernieuwingsscholen aan het ontwikkelen en uitvoeren van een professionaliseringsaanpak, waarin leraren worden getraind en begeleid in het bevorderen van het zelfgestuurd leren van hun leerlingen. Doel van onze samenwerking is dat het zelfgestuurd leren van leerlingen op vernieuwingsscholen effectief wordt bevorderd door het opleveren van een beproefde professionaliseringsaanpak voor leraren. Daarnaast worden onderwijsmaterialen, die leraren in kunnen zetten ten behoeve van het ondersteunen en stimuleren van zelfgestuurd leren, beschikbaar gemaakt.

De aanpak en handleiding is door een aantal scholen inmiddels gepilot en worden dit jaar voltooid. Er zijn een aantal projectbijeenkomsten gerealiseerd met deelnemers in ons samenwerkingsverband. Daarnaast is in samenwerking met de Universiteit Twente en Open Universiteit een aanvraag ter verkrijging van subsidie bij NRO ingediend (titel: PARIS: Aanbieden van competentie-gerelateerde instructie voor zelfgestuurd leren).

En nu?

Tijdens het afgelopen studiejaar is veel bereikt en deze Maastrichtse Amsterdammer is daar met recht trots op. Echter, er valt na de zomer op het gebied van onderzoek, kennisbenutting en onderwijs genoeg te doen. Niet alleen de ingezette studies binnen de vier onderzoekslijnen zullen dit jaar door lopen (onderzoek), ook zullen meer resultaten uit deze onderzoeken beschikbaar worden gemaakt (kennisbenutting) en gaan we leraren en studenten actief betrekken bij het onderzoek van het lectoraat (onderwijs). Daarnaast zal ook het onderzoek van het lectoraat bij Thomas More hogeschool te Rotterdam van start gaan. Samen met vernieuwingsscholen in Rotterdam en regio zal worden verkend hoe het lectoraat van betekenis kan zijn door vragen voor onderwijsonderzoek te inventariseren en samen te brengen. Op basis van de verzamelde vragen stellen we een werkplan op voor het onderzoek van het lectoraat voor de vernieuwingsscholen in deze regio. Dat beloofd wat, ik heb er in elk geval zin in. Zowel de Maastrichtenaar als de Amsterdammer. Een fijne vakantie.

Mede namens de kenniskring van het lectoraat Vernieuwingsonderwijs

Laurence Guérin (Saxion), Alieke van Dijk (Saxion), René Berends (Saxion), Brigitte Witmus (Thomas More hogeschool), Erwin Groenenberg (Thomas More hogeschool), Jeroen Bron (SLO en VF), Vera Otten (Daltonschool Corlaer en NDV), Els Mattijssen (NMV), Jaap Meijer (NJPV), Esther van Dalen (AOS Delta/HAN pabo en NJPV) en Koen Groeneveld (VBS)