maandag, 14 december 2015 15:54

Van rendementsdenken naar kwaliteitsdenken

Van rendementsdenken naar kwaliteitsdenken 

Door Alieke van Dijk , onderzoeker lectoraat Vernieuwingsonderwijs 


Kwaliteit in het onderwijs                                                                                                                                                                                          Om kwaliteit in onderwijs te operationaliseren wordt de focus steeds meer op cognitieve resultaten gelegd. Goed onderwijs moet leiden tot een verhoging van het leerrendement. Ook het onderzoeksveld draagt hieraan bij. Een belangrijke vraag die we onszelf moeten stellen, is: wat verstaan we onder goed onderwijs? Wanneer kunnen we eigenlijk echt wat zeggen over de kwaliteit van onderwijs? En, vooral, wat is de rol van de leerkracht in het creëren van goed onderwijs?

Rendementsdenken                                                                                                                                                                                                     In het Nederlandse basisonderwijs wordt de kwaliteit van scholen voornamelijk bepaald door de cognitieve prestaties van de leerlingen op die school. Aan de hand van het CITO leerlingvolgsysteem worden de cognitieve prestaties van de individuele leerling nauwkeurig getoetst en gemonitord. 

Aan de ene kant wordt gesteld dat hoogopgeleiden meer kansen en mogelijkheden zullen hebben in de huidige en toekomstige maatschappij. Daarom moeten cognitieve talenten van leerlingen worden aangesproken en ontwikkeld. Kwaliteit van onderwijs wordt in deze visie gelijkgesteld aan effectieve productie. Maar wat is de rol van de leerkracht is in dit huidige rendementsklimaat? Leraren werken binnen protocollen die het rendement veilig moeten stellen: risicovrij en voorspelbaar. Dit gaat ten koste gaat van de vrijheid die zij hebben om het onderwijs naar eigen inzicht in te richten. 

Aan de andere kant worden kanttekeningen geplaatst bij het vermogen van gestandaardiseerde toetsen om een correct en compleet beeld schetsen van de capaciteiten van een leerling. Gert Biesta stelt in zijn boek Het prachtige risico van onderwijs dat goed onderwijs niet alleen over ‘leren’ zou moeten gaan maar juist over ‘onderwijzen’. In deze visie wordt kwaliteit van onderwijs niet enkel gezien als de ontwikkeling van cognitieve vaardigheden, maar wordt de ontwikkeling van sociaal(-emotionele) vaardigheden op gelijke waarde geschat. De leerkracht speelt een onmisbare rol in de ontwikkeling van deze vaardigheden. 

Vooralsnog wordt het beleid rondom onderwijs geschreven vanuit een neoliberaal perspectief met als uitgangspunt het verhogen van de cognitieve prestaties van leerlingen. Sociaal(-emotionele) vaardigheden en leerprocessen worden niet relevant geacht in het huidige rendementsdenken. Maar, ben je inderdaad goed opgeleid wanneer het onderwijs dat je genoten hebt niet voorbereid op sociale rollen in de samenleving? Kunnen we dan wel spreken van kwalitatief onderwijs? 


(Hoog)begaafde leerlingen                                                                                                                                                                                           In het basisonderwijs worden ook de prestaties van de (hoog)begaafde leerlingen meer en meer onder de loep genomen. Huidig staatssecretaris Dekker heeft deze discussie op scherp gesteld met rapporten en brieven aan de kamer die stellen dat (top)talent te weinig kans krijgt zich te ontwikkelen in het huidige onderwijsklimaat op de basisschool. Wanneer Dekker het heeft over het ontwikkelen van talent, spreekt hij wederom voornamelijk over cognitieve prestaties.  

Deze focus op cognitieve prestaties zorgt voor een trend van exclusie in de basisschoolklassen. Leerkrachten krijgen de opdracht hun lespraktijk zo in te richten dat de leerlingen in de klas een zeker minimum moeten laten zien in hun cognitieve prestaties. Het behalen van leerdoelen staat voorop. De meeste lesmethodes richten zich op het onderwijzen van deze gemiddelde leerling. Leerlingen die voorlopen of achterlopen op de gemiddelde leerling, zouden additionele aandacht en taken moeten krijgen om op een goede manier uitgedaagd te worden (differentiatie). Doordat de leerkracht wordt afgerekend op tegenvallende cognitieve resultaten, zullen zij allereerst hun tijd en aandacht noodgedwongen moeten richten op de leerling die achterloopt op de rest. 

Manieren om te differentiëren voor de (hoog)begaafde leerling zijn er genoeg, maar wederom vooral
gericht op cognitieve ontwikkeling. Maar deze methodes houden vrijwel allemaal in dat de leerlingen (individueel en) buiten de groep aan het werk worden gezet. Plusklassen, waarin goed presterende en (hoog)begaafde leerlingen passende, additionele opdrachten krijgen aangeboden, zorgen ervoor dat leerlingen niet altijd individueel aan de slag hoeven. Echter, (hoog)begaafde leerlingen missen nog altijd grote delen van de reguliere les wanneer zij in de plusklassen worden opgevangen. Deze leerlingen zijn zo steeds minder onderdeel van de klas, en krijgen zo niet de kans om te leren van en met hun leeftijdsgenoten. En dat terwijl kinderen zoveel kunnen leren van en met elkaar, en juist de ontwikkeling van de sociaal(-emotionele) vaardigheden gebaat is bij samenwerking tussen klasgenoten met allerlei verschillende competenties. 


21st Century skills                                                                                                                                                                                                       De laatste tijd wordt er meer aandacht geschonken aan het belang van het ontwikkelen van sociaal(emotionele) vaardigheden tijdens de basisschooltijd. We leiden leerlingen op voor de beroepen van de toekomst: 21ste eeuwse vaardigheden. Er vanuit gaande dat 80% van de beroepen waar we leerlingen nu voor opleiden nog niet bestaan, moeten leerlingen getraind worden in het flexibel opereren in verschillende contexten. Zodoende moeten leerlingen onder meer kritisch leren reflecteren op zichzelf en anderen, en moeten zij kunnen samenwerken in verschillende situaties. 

Met het oog op de toekomst lijkt het niet meer dan logisch om onszelf af te vragen hoe kwalitatief onderwijs geoperationaliseerd moet worden. Passen de cognitieve competenties waar we nu zo hard naar streven wel bij de cognitieve vereisten voor de toekomstige generaties? Enkel denken in cognitieve prestaties kan in de weg staan van de sociaal(-emotionele) ontwikkeling van kinderen. 

Door leerlingen met verschillende demografische kenmerken en competentieniveaus met elkaar te laten samenwerken, kunnen leerlingen zich voorbereiden op hun latere rol in de maatschappij. Leerlingen moeten leren hoe zich te verplaatsen in een ander, ook al spreken zij niet direct dezelfde taal. Als leerlingen zich leren verplaatsen in een ander, ontwikkelen zij zowel hun cognitieve vaardigheden als hun sociaal(-emotionele) vaardigheden. Zij leren zich te bewegen in de maatschappij van de toekomst.  

Kwaliteitsdenken                                                                                                                                                                                             

Aangezien we zo naarstig op zoek blijven naar vernieuwingen in het onderwijs, zou het goed kunnen zijn om te beginnen bij het bepalen van kwaliteit van onderwijs. Moeten we blijven vasthouden aan het alleenspel van de cognitieve prestatiemetingen in het onderwijs, of slaan we zo de plank mis? Misschien kunnen we om te beginnen de leerkracht wat meer vertrouwen geven in hun competenties om leerlingen zich te laten ontwikkelen. Geef de leerkracht iets meer vrijheid, ruimte en tijd om de sociale context in hun klas te benutten. Vertrouw op hun competenties om ook de cognitieve ontwikkeling van kinderen aan te spreken.