maandag, 03 juni 2019 00:00

Professionele ontwikkeling van leraren in zich(t): Bewuste oefening baart kunst

Door Margreet Verduijn en Patrick Sins – lectoraat Vernieuwingsonderwijs

Uit onderzoek weten we wat atleten, musici en schakers doen om de absolute top te bereiken in hun vakgebied. Deze toppers blijken namelijk een groot deel van hun tijd aan doelgerichte oefening. Zo besteden professionele musici tot drie keer meer tijd aan doelgerichte oefening in vergelijking met amateurs. Maar hoe wordt je als leraar een topper? Hoe ziet doelgerichte oefening eruit in de dagelijkse onderwijspraktijk? Deze vragen gaan we met onze studie beantwoorden. In deze column laten we zien hoe we dat doen en delen we onze eerste inzichten.

Op het moment voeren we  een onderzoek uit waarin we nagaan hoe basisschoolleraren tijdens hun dagelijkse onderwijsactiviteiten doelgericht oefenen. In ons onderzoek gaan we uit van onderzoek dat de Zweedse psycholoog Anders Ericsson in de jaren negentig uitvoerde bij violisten en pianisten van verschillende niveaus. In deze studie vroeg Ericsson de musici in dagboeken bij te houden hoeveel tijd ze besteedden aan geconcentreerde individuele oefening. Op basis van zijn onderzoek concludeerde Ericsson dat de beste violisten op hun achttiende al meer dan 2000 uur meer aan doelgericht oefening spendeerden dan goede violisten. Echter, doelgerichte oefening is voor musici veel makkelijker vast te stellen dan voor leraren. Bij pianisten gaat het om hoelang ze bepaalde passages hebben geoefend. Leraren zijn met heel wat meer activiteiten in de weer: het plannen en voorbereiden van lessen, het evalueren van leerlingenwerk, het voeren van gesprekken met ouders, collega’s en leerlingen en ga zo maar door. Hoe ziet doelgerichte oefening er bij leraren uit?

Eind jaren negentig probeerden de onderzoekers Dunn en Shriner doelgerichte oefening bij leraren vast te stellen. Ze beargumenteerden dat het niet alleen gaat om het uitvoeren of oefenen van alledaagse onderwijsactiviteiten, maar vooral ook om de manier waarop leraren deze activiteiten benaderen. Doelgericht oefenen houdt volgens Dunn en Shriner in dat leraren alledaagse onderwijsactiviteiten herhaaldelijk, doelgericht en reflectief uitvoeren met het doel hun onderwijspraktijk te verbeteren. Het gaat dus niet alleen om de hoeveelheid ‘oefenuren’ die je als leraar besteedt, maar ook om je intentie: het verbeteren van je onderwijs.

Er is nauwelijks iets bekend over hoe leraren tijdens hun dagelijkse onderwijsactiviteiten doelgericht oefenen, welke factoren daaraan bijdragen en of er een relatie is met de leerprestaties van leerlingen. In dit onderzoeksproject gaan we hier antwoorden op vinden. Om vast te stellen hoe het doelgericht oefenen van leraren zich van dag tot dag ontvouwt, hebben we samen met veertien topleraren een app ontwikkeld die leraren kunnen installeren op hun smartphone en/of tablet. Deze app biedt leraren de mogelijkheid om een eenvoudig digitaal logboek bij te houden. De leraren die meedoen aan ons onderzoek houden dit schooljaar gedurende vier tweewekelijkse periodes met behulp van de app bij wat ze concreet doen aan doelgericht oefenen. Twee keer per dag worden er in de app hier vragen over gesteld. Daarnaast geven de leraren elke dag aan hoe zij hun werkcontext beleven. Binnenkort zal de laatste dataverzameling plaatsvinden. Ongeveer 110 leraren doen aan onze studie mee.

Naast de tijd die leraren besteden aan doelgerichte oefening, kijken we in ons onderzoek hoe leraren hun werkcontext beleven. Dat doen we om straks in onze analyses te kijken of beleving van de werkcontext samenhangt met de mate waarin leraren doen aan doelgerichte oefening. Om beleving van werkcontext vast te stellen, maken we gebruik van drie begrippen uit de zelfdeterminatietheorie van Deci en Ryan: autonomie, verbondenheid en competentie. Autonomie gaat erom dat je  ‘in control’ bent van je eigen handelen en daar verantwoordelijk voor bent. Verbondenheid houdt in dat je vertrouwen ervaart van je collega’s. Competentie betreft het gevoel gewenste doelen te kunnen bereiken. In onze studie beantwoorden leraren ook vragen die betrekking hebben op de door hun ervaren autonomie, verbondenheid en competentie. Het is onze verwachting dat een hoge score op deze drie aspecten positief samenhangt met de hoeveelheid tijd die leraren spenderen aan doelgerichte oefening.

Onze eerste voorlopige onderzoeksresultaten zijn opmerkelijk en laten zien dat leraren erg positief zijn over hun werkcontext. Zo ervaren de leraren uit ons onderzoek een hoge mate van autonomie, die in de tijd nauwelijks verandert. En dit ondanks de torenhoge werkdruk in het onderwijs. Dit is een bemoedigend resultaat en lijkt erop te wijzen dat leraren zelf voldoende professionele ruimte ervaren om zich doelgericht te ontwikkelen tot toppers.

Geraadpleegde literatuur

Deci, E.L.,  & Ryan, R.M. (2000). The "What" and "Why" of Goal Pursuits: Human Needs and the Self-Determination of Behavior. Psychological Inquiry, 11(4), 227-268. DOI: 10.1207/S15327965PLI1104_01

Dunn, T.G. , & Shriner, C. (1999). Deliberate practice in teaching: What teachers do for self-improvement. Teaching and Teacher Education, 15, 613-651. 

Ericsson, K. A., Krampe, R. T., & Tesch-Römer, C. (1993). The role of deliberate practice in the acquisition of expert performance. Psychological Review, 100, 363-406.