donderdag, 29 maart 2018 00:00

De Grootste Gemene Deler van dalton

Door René Berends


Recent heeft de Nederlandse Dalton Vereniging (NDV) zich opnieuw gebogen over de vraag wat de essentie van het daltononderwijs is. Het is een vraag die binnen de vereniging periodiek en steeds heel nadrukkelijk gesteld wordt. Het afgelopen jaar heeft de NDV het plan om een ‘daltonpaspoort’ te ontwikkelen, laten vallen. Maar het ‘daltonidee’ / ‘dalton-ID’ is daarvoor in de plaats gekomen. Afgelopen week is de tekst daarvoor op de Algemene Leden Vergadering gepresenteerd.

De behoefte om tot een omschrijving te komen van de essentie van het daltongedachtegoed is in een historische context te plaatsen. Het is ‘dalton-eigen’ om op zoek te zijn naar wat we misschien wel als de Grootste Gemene Deler van dalton kunnen omschrijven. Dat ‘dalton-eigene’ van die zoektocht zit hem misschien wel in standpunten van Parkhurst zelf. Zij benadrukt immers dat haar Dalton Plan een flexibel concept is en dat leraren er zelf over na moeten blijven denken, het moeten afstemmen op de kinderen, de omstandigheden en de tijd waarin men leeft. Haar advies in deze was ondubbelzinnig: “En vinden jullie ooit iets uit dat nog effectiever is dan mijn Dalton Plan, dan moet je dat vooral volgen!”

In het vervolg van deze column zullen we zien dat de vraag wat de essentie van dalton is, zelfs al op de eerste vergadering van de NDV gesteld is.

Het is met name prof. Philip Kohnstamm die ervoor verantwoordelijk gehouden kan worden, dat het daltononderwijs in Nederland geïntroduceerd is. Hij is in 1923 de leider van een delegatie die in Engeland het daltononderwijs gaat onderzoeken. Kohnstamm is dan hoogleraar pedagogiek. Bigot is de tweede onderzoeker. Hij is dan directeur van de Nutskweekschool in Arnhem. Diels completeert het drietal. Hij is hoofd van een openbare lagere school in Amsterdam.

Twee docenten van het Amsterdams Lyceum aan het Valeriusplein, Bokhorst en De Graaf, horen van het plan en sluiten zich te elfder ure aan bij de onderzoeksgroep om met name de daltonwerkwijze in het voortgezet onderwijs te onderzoeken. Met name Bokhorst is van dit tweetal interessant. Hij zal namelijk acht jaar later de eerste voorzitter van de Nederlandse Dalton Vereniging worden.

Kohnstamm c.s. raken enthousiast over wat ze in Engeland op zo’n tiental daltonscholen zien, die ze bezoeken. Met name de combinatie van ‘moral and civic education’ en een flexibele onderwijsorganisatie staat de mannen aan. De onderzoekers publiceren hun onderzoeksgegevens en wijzen erop dat ze in de combinatie van brede persoonsvorming enerzijds en een flexibele, gedifferentieerde klassenorganisatie anderzijds kansen zien om in Nederland het volksonderwijs te vernieuwen (Bigot, Diels & Kohnstamm, 1924).

Het is een nogal pretentieuze zienswijze, het hele volksonderwijs in heel Nederland vernieuwen! Van een grootschalige invoering van het daltononderwijs is nadien nooit sprake geweest. Wel worden er na de publicatie van de onderzoeksgegevens op allerlei niveaus van het onderwijs experimenten met daltononderwijs opgezet. Die experimenten leiden op 7 november 1931 tot de oprichting van de Nederlandse Dalton Vereniging (NDV).

De leden van de nieuwe vereniging vragen zich al snel af of er zoiets is als ‘de’ Nederlandse daltonschool. Tegelijkertijd wordt de vraag gesteld of zoiets zelfs wel wenselijk is.

Het onderzoek van Bigot, Diels en Kohnstamm had al duidelijk gemaakt dat er flinke verschillen bestonden tussen de bezochte scholen in Engeland. En nader onderzoek van de bronnen van Helen Parkhurst zelf, had ook al duidelijk gemaakt dat er tussen haar daltonschool en de scholen in Engeland en de experimenten in Nederland grote verschillen waren.

Toch houdt de vraag de gemoederen bezig. Na de oprichtingsvergadering komen de leden van de nieuwe vereniging voor een eerste keer bijeen in januari 1932. En het thema van die studiedag was dan ook om met elkaar te praten over wat ‘onderwijs tot daltononderwijs’ maakt.

Spreker op die vergadering is de heer Evers. Hij krijgt na uitgebreide besprekingen met zijn schoolhoofd, het dagelijks bestuur van de gemeente Alkmaar en de inspecteur het voor elkaar, om een paar maanden voor de zomervakantie (juni 1925) in zijn klas 4 op de Gemeenteschool no. 3 waar hij werkzaam is als onderwijzer, een daltonexperiment te starten. In 1929 wordt Evers vervolgens hoofd van een Nutsschool in Eindhoven en daltoniseert hij die school in zijn geheel. Evers zal in 1940 een “practische proeve van een nieuw lager onderwijsprogramma” publiceren, dat geschikt is voor dalton (Evers, 1940).

Evers, in 1932 dus directeur van de school in Eindhoven, is de eerste spreker op de eerste reguliere vergadering van de NDV.[1] Van zijn presentatie is een verslag met een puntsgewijze samenvatting bewaard gebleven. Het verslag is te beschouwen als de eerste tekst waarin de NDV zich uitspreekt over de essentie van het daltononderwijs in Nederland. We geven die samenvatting hieronder integraal weer.

  1. Niemand kan zeggen, wat men heeft te verstaan onder een ‘Nederlandsche Daltonschool’. Als men voor de paedagogiek eener Daltonschool als fundamenteele eischen stelt: samenwerking in groepen, vrijheid, individueel werk en voor het onderwijsstelsel vaklokalen, vakonderwijzers, taken, bepaald contrôlesysteem, dan zijn er in ons land geen Daltonscholen.
  2. In de nieuwe schoolorganisatie, zooals die aan de Nutsschool, Reigerlaan 3 Eindhoven, zich ontwikkelt, is de klasseindeeling naar jaren die een tijdmaat is, vervangen door een groepeering der leerlingen, waarbij rekening is gehouden met de psychologische stadia van het kind van ongeveer 6 tot ongeveer 14 jaar. Dit heeft geleid tot een verdeeling der school in drieën (grondschool-tusschenschool-eindschool).
  3. De veel-gerichtheid van ons lager onderwijs zal kunnen vervallen. In de plaats van ‘objectieve differentiatie’ stellen wij ‘subjectieve differentiatie’. Er is één eindnorm voor alle gewoon lager onderwijs.
  4. Er ontwikkelt zich een methodiek voor het lager onderwijs waarbij dezelfde driedeeligheid valt waar te nemen.
  5. Bij het aanvankelijk lees-, schrijf- en rekenonderricht moeten nieuwe wegen worden ingeslagen. De tot dusver meest gebruikte methoden steunen op inzichten der natuurwetenschappelijke psychologie en zijn analystisch-synthetisch. Op de geesteswetenschappelijke psychologie – en in het bijzonder op gestalt en structuur – psychologie, - zullen nieuwe methoden worden gebouwd, die uitgaan van de totaliteit.
  6. De techniek van de onderwijsmethodiek eischt ten aanzien van het mechanische proces (tusschenschool) een herziening, die vooral gericht behoort te zijn op grooter doelmatigheid.
  7. Vanaf het 10de jaar, ongeveer (eindschool) moet voor het kind voortgaan in eigen tempo mogelijk worden gemaakt.
  8. Menige proef, waarbij nieuwe onderwijskundige denkbeelden aan de praktijk werden getoetst, is als mislukt beschouwd, doordat noodzakelijkerwijze in de aanvang in de nieuwe school het onderwijskundig apparaat der klassikale school werd aangewend. Wie aan daadwerkelijke onderwijshervorming begint, hoede zich voor overdreven optimisme. De moeilijkheden zijn vele en groot! Menigmaal zullen – zij het dan ook tijdelijk – de schoolprestaties niet voldoen aan verwachtingen en eischen, die buitenstaanders stellen.
  9. Het kan van de allergrootste beteekenis worden geacht, dat in de naaste toekomst althans de hoofdlijnen worden uitgestippeld eener ‘Nederlandsche Daltonschool’.

Deze samenvatting van de eerste inhoudelijke inleiding die ooit tijdens een vergadering van de NDV over de essentie van het daltononderwijs gehouden is, biedt een prachtig doorkijkje in hoe moeilijk onderwijsvernieuwing in de tijd gezien verloopt. De waarschuwing uit punt 8 – dat we daarover geen overdreven optimisme moeten hebben, is – anno nu, 86 jaar later – zeker bewaarheid.

DaltonIDee is afgelopen week tijdens de Algemene Ledenvergadering gepresenteerd zijn. Het is een nieuwe stap op het pad om met elkaar vat te krijgen op de essentie van de Nederlandse daltonschool. Het is de meest recente poging om die essentie onder woorden te brengen, maar het zal zeker niet de laatste zijn. En die stelling past prachtig bij wat Parkhurst daarover aangegeven heeft. Zij stelde immers dat haar gedachtegoed geen ‘cast-iron thing’ is, dat om strikte, dogmatische navolging vraagt. Want zo zou het al snel uit de tijd raken. Parkhurst wilde daarentegen dat haar ideeën flexibel gehanteerd zouden worden en gemodificeerd naar de omstandigheden van een school en naar het oordeel van een lerarenstaf.

Literatuur

Bigot, L.C.T., Diels, P.A., Kohnstamm, Ph., (1924). De toekomst van ons volksonderwijs  II Scholen in losser klasseverband. Amsterdam:  Nutsuitgeverij

Evers, F. (1932). Resumé van de inleiding gehouden op de bijeenkomst der Nederlandsche Daltonvereeniging op 16 januari 1932. NDV.

Evers, F. (1940). Naar een nieuwe school. Schets van een practische proeve van een nieuw lager- en onderwijsprogramma. Groningen: J.B. Wolters.

 

[1] Bij het werken aan het nieuw op te zetten historisch archief van de NDV is het verslag van deze inleiding boven water gekomen. Vanaf mevrouw Biegel in 1931 hebben opeenvolgende secretarissen van de NDV successievelijk delen van de geproduceerde ‘stukken’ gearchiveerd. Door de geschiedenis van de vereniging heen zijn delen van dit archief versnipperd en soms zelfs verloren geraakt. De auteur probeert vanuit zijn werkzaamheden in het lectoraat Vernieuwingsonderwijs een ‘nieuw’ historisch archief op te bouwen, wat op termijn ook toegankelijk gemaakt zal worden.