donderdag, 29 juni 2017 00:00

“Geen voordeel, maar ook geen nadeel voor dalton”

Door Patrick Sins, lector Vernieuwingsonderwijs Saxion en Thomas More hogeschool

Met bijna achthonderd scholen maakt het traditioneel vernieuwingsonderwijs substantieel deel uit van het Nederlandse basisonderwijs: zo’n tien procent van het totaal aantal basisscholen is een traditionele vernieuwingsschool. Ongeveer de helft van de vernieuwingsscholen in ons land is een erkende daltonschool. Gezien de omvang en populariteit van daltononderwijs is het opmerkelijk dat er nauwelijks onderzoek naar de effectiviteit van dit type onderwijs is gedaan.

Om die reden hebben Symen van der Zee en ik afgelopen jaren onderzocht of de prestaties van leerlingen op daltonbasisscholen verschillen met die van leerlingen op basisscholen die traditioneel zijn ingericht. “Geen voordeel, maar ook geen nadeel voor dalton”, concludeert hoogleraar Onderwijskunde Theo Wubbels in Didactief op basis van onze bevindingen. Onze resultaten laten namelijk zien dat er amper verschillen in opbrengsten zijn tussen daltonscholen en reguliere scholen. Ook in een tweede studie, waarin we gebruik maakten van meer recente gegevens, vonden we nauwelijks verschillen. In deze bijdrage laat ik zien hoe we dit onderzoek hebben aangepakt en wat onze belangrijkste resultaten zijn.

Om erachter te komen of daltonleerlingen anders presteren dan leerlingen op reguliere scholen, hebben we gebruik gemaakt van gegevens die verzameld zijn in het kader van het Cohortonderzoek onderwijsloopbanen (COOL5-18). In COOL5-18 zijn om de drie jaar gegevens verzameld bij een groot aantal scholen en leerlingen. In de metingen zijn de gegevens van ruim 38000 leerlingen bij circa 550 basisscholen verzameld via toetsen en vragenlijsten die door ouders, leerkrachten en leerlingen zijn ingevuld. In onze eerste studie hebben we gekeken naar de gegevens uit de eerste meting van COOL5-18 in het schooljaar 2007-2008. In onze tweede studie gingen we na of het volgen van daltononderwijs voor de leerlingen uit de eerste meting bijdraagt aan hun prestaties drie jaar later (in het schooljaar 2010-2011).

Uit deze grote hoeveelheid gegevens hebben we allereerst een groep daltonscholen bepaald door uit het COOL5-18  databestand scholen te selecteren die door de NDV zijn gecertificeerd als daltonschool. De effecten van daltononderwijs wilden we bepalen door de scores van deze groep scholen te vergelijken met scholen die geen vernieuwende onderwijsconcepten in hun onderwijs hanteren. Om een goede vergelijking te kunnen maken moesten we dus een groep scholen selecteren die traditioneel zijn ingericht. In ons onderzoek zijn scholen als traditioneel aangemerkt indien ze voldeden aan twee criteria: (1) scholen hanteren geen vernieuwende schoolconcepten of elementen daarvan toepassen en (2) scholen beschrijven hun onderwijs zelf als traditioneel ingericht, door hun onderwijs bijvoorbeeld te omschrijven als: leerstofjaarklassensysteem, klassikaal onderwijs, directe instructie, methode-gestuurd onderwijs, traditioneel onderwijs en/of oud leren. Dit resulteerde in een groep van 31 daltonscholen en 26 traditionele scholen in onze eerste studie. In onze tweede studie moesten we uitgaan van slechts twaalf daltonscholen en negen reguliere scholen, omdat in de tweede meting van COOL5-18 niet alle scholen weer meededen.

In het COOL5-18 zijn een behoorlijk aantal prestatiematen afgenomen bij leerlingen. In onze analyses hebben we gekeken naar de scores van leerlingen in groepen 2, 5 en 8 op de gebieden taal, lezen, rekenen (cognitieve prestaties), welbevinden, cognitief zelfvertrouwen, taakmotivatie (niet-cognitieve prestaties) en burgerschapscompetenties. In totaal hebben in beide studies voor 21 prestatiematen bekeken of er verschillen zijn tussen daltonleerlingen en leerlingen op reguliere scholen. Maar dan waren we er nog niet. Verschillen in prestaties worden namelijk niet alleen verklaard door het schooltype, maar ook door achtergrondkenmerken van leerlingen en het feit dat leerlingen bij elkaar in de klas zitten. Omdat we alleen geïnteresseerd waren in het effect van daltononderwijs, moesten we rekening proberen te houden met deze extra invloeden. Dat deden we door te controleren voor factoren als: geslacht, intelligentie, etniciteit en opleidingsniveau van de ouders en de mate van ouderbetrokkenheid. Verder konden we in onze analyses rekening houden met het gegeven dat leerlingen die bij elkaar in een klas  zitten gemiddeld genomen meer met elkaar gemeen hebben dan leerlingen uit andere groepen of scholen.

Een opvallend resultaat is dat daltonbasisscholen een “gunstiger” leerlingpopulatie hebben in vergelijking met traditioneel ingerichte scholen. Ouders van leerlingen op daltonscholen zijn meer betrokken, hoger opgeleid en vaker van autochtone afkomst dan de ouders van leerlingen op traditioneel ingerichte scholen. Bovendien zijn de intelligentiescores in groep 5 van leerlingen op daltonscholen hoger dan de scores van leerlingen die traditioneel onderwijs genieten. Maar zoals gezegd hebben we in onze analyses rekening gehouden met deze invloeden omdat we wilden nagaan wat de toegevoegde waarde is van het daltonconcept.

Nadat we voor deze achtergrondkenmerken hadden gecontroleerd, vonden we nagenoeg geen verschillen tussen daltonscholen en traditionele scholen voor wat betreft de taal- en rekenprestaties, de scores van leerlingen op de vragenlijsten over taakmotivatie, cognitief zelfvertrouwen en welbevinden en de scores van leerlingen op de vragenlijst over burgerschapscompententies. In beide studies vonden we “geen voordeel, maar ook geen nadeel voor dalton” als het gaat om cognitieve en niet-cognitieve prestaties. In elke studie vonden we telkens maar een significant verschil. Slechts een verschil op de 21 verschillende prestatiematen die we in beide studies hadden bekeken. In de eerste studie, waarin we hebben gekeken naar de eerste COOL5-18  meting in 2007-2008, vonden we dat leerlingen op daltonscholen in groep 2 significant beter presteren op de taaltoets. In de tweede studie vonden we dat daltonleerlingen in groep 8 scoren hoger op burgerschapskennis. Deze bevindingen konden we echter niet repliceren in respectievelijk de tweede en de eerste studie. Het is dus onduidelijk of deze verschillen überhaupt betekenisvol zijn.

Daltononderwijs resulteert niet in meer leren dan onderwijs dat traditioneel is ingericht. Dit is overigens opmerkelijk, omdat in andere studies is gevonden dat de leerprestaties van leerlingen op vernieuwende scholen juist achterblijven. De uitkomsten van ons onderzoek bieden hier dus een interessant tegenwicht aan. Traditioneel ingericht onderwijs blijkt niet effectiever te zijn dan onderwijs dat gestoeld is op vernieuwende onderwijsaspecten zoals samenwerken, vrijheid en zelfstandigheid. Dit suggereert dat verschillende manieren van werken dezelfde opbrengsten kunnen hebben. Enige omzichtigheid is echter wel geboden bij deze interpretatie van de uitkomsten van onze studies. In ons onderzoek hebben we bijvoorbeeld minder dan zes procent van het totale aantal daltonscholen kunnen onderzoeken. Ook hebben we nog geen inzicht in de effecten van daltononderwijs op de mate waarin leerlingen nu en in het vervolgonderwijs meer in staat zijn tot samenwerken en zelfstandigheid. Er is duidelijk meer onderzoek nodig om een omvattend beeld te krijgen van de toegevoegde waarde van daltonscholen en de werkzaamheid van de vernieuwende onderwijsprincipes waarop daltononderwijs gestoeld is. Dat gaan we de komende jaren dan ook zeker doen.

Klik hier voor de volledige rapportage van onze eerste studie.